Het eerste geld


Lange tijd gebruikten de mensen kralen, vee, schelpen, rijst en zout als geld. Nadat deze goederen lang als geld waren gebruikt, kwamen de mensen erachter dat geld aan vier voorwaarden moest voldoen:

1 - iedereen zou moeten weten dat het geld was
2 - het moest duurzaam zijn (het zou lang goed moeten blijven)
3 - het zou iets moeten zijn dat niet al te groot is en waar je niet al te veel van bij je zou moeten hebben, maar het zou wel veel waard moeten zijn
4 - er zou niet teveel van moeten zijn, anders zou het minder waard kunnen worden.

Zilver en goud bleken het meest geschikte geld. Iedereen wist dat dat voortaan het geld zou zijn, je kon het heel lang bewaren, het is niet echt groot, je hoeft er niet zoveel van bij je te hebben en er was niet zo heel veel van beschikbaar. Zo zou het niet ineens veel minder waard kunnen worden.


In het begin gebruikte men klompjes zilver en goud. Hoe zwaarder het klompje was, hoe meer je ervoor kon krijgen. Met deze klompjes werd erg veel bedrog gepleegd. Er waren bijvoorbeeld mensen die in een klompje goud een steen stopten, zodat het zwaarder zou worden.
Daarom ging de overheid zich ermee bemoeien. Zij zorgde ervoor dat er platte muntjes van het zilver en goud geslagen werden, met een stempel erop. Op deze stempel stond onder andere het gewicht van de munt. Daaraan zou iedereen kunnen zien dat het om echt geld ging en kon er geen bedrog meer mee gepleegd worden.


Omdat deze munten erg veel waard waren brachten kooplieden hun geld vaak naar een bepaalde plaats. Daar werd hun geld bewaard en kregen kooplieden een papiertje waarop stond hoeveel geld ze afgegeven hadden. Zo zijn dus de eerste banken ontstaan.
Met het papiertje dat de kooplieden in ruil voor het geld kregen konden ze later het geld weer ophalen. Ook konden ze ermee betalen. Deze papiertjes waren dus de eerste bankbiljetten.


Goud en zilver waren erg veel geld waard en voor kleinere aankopen konden ze dus moeilijk gebruikt worden. Daarom werden er ook munten van goedkoper materiaal zoals ijzer en koper geslagen.
In het begin waren veel munten zelf dus erg veel waard, omdat ze van goud of zilver gemaakt waren. Later maakte de overheid de munten van goedkopere materialen. Deze munten waren zelf niet veel meer waard, het ging toen niet meer om de waarde van het materiaal waar de munt van gemaakt was maar om het bedrag dat op de munt geslagen was.