Hekserij, wat is dat?

Al heel lang houden mensen zich bezig met tovenarij (ook wel magie genoemd). Men wilde invloed krijgen op het leven van mensen, dieren en planten. Dat probeerde men te bereiken door allerlei 'magische' handelingen uit te voeren. Men gebruikte daarvoor bijvoorbeeld afbeeldingen, uitgegraven voetafdrukken en kledingsstukken. Daarnaast werden er heksenzalven gemaakt en toverspreuken gebruikt. Men geloofde dat heksen geesten konden oproepen en konden vliegen op bezems of op de ruggen van dieren. Ook was men er van overtuigd dat heksen van gedaante konden veranderen, bijvoorbeeld in wolven of reptielen.
Heksenvervolgingen kwamen al lang geleden voor. Mensen werden beschuldigd van kwaad doen door middel van tovenarij. Dat betekende dat ze door middel van toverkunst andere mensen ziek maakten of zelfs doodden. Ze zouden ook dieren kunnen doden en oogsten doen mislukken. Vaak werden die mensen ook beschuldigd van het feit dat ze een verkeerd idee hadden van het christelijke geloof.
Met tovenarij probeerden mensen de wereld om zich heen te veranderen. De meeste tovenaars wilden dat om een beter leven voor zichzelf en anderen te scheppen. Die 'anderen' waren vaak mensen uit een dorp of stad die een tovenaar (of heks dus) in dienst namen. Ze dachten dat ze door toverkunsten rijk konden worden, of dat ze geluk zouden kunnen krijgen in de liefde.
Om verder alles goed te begrijpen, moet je eerst duidelijk zijn dat, zo'n 500 jaar geleden, rond 1500, iedereen in West-Europa christelijk moest zijn. De paus was de baas van alle christenen. Alles wat hij zei over het geloof was als een wet die iedereen moest gehoorzamen. Als je dat niet deed werd je 'ketter' genoemd. En dat was heel erg. Je mocht dan niet meer met andere mensen omgaan. Je stond niet alleen buiten de kerk, maar ook buiten de maatschappij. Als ketter kon je zomaar gevangen genomen worden. Als je niet toegaf dat je verkeerd had gedaan, werd je levend verbrand.
In de loop der eeuwen veranderde de kerk een aantal keren van gedachte:
In de achtste eeuw stelde de kerk dat iedereen in het bestaan van heksen geloofde een ketter was. In de vijftiende eeuw gold precies het tegenovergestelde: iedereen die nìet in heksen geloofde was een ketter. Bovendien was ook elke heks automatisch een ketter.
Voor het jaar 1500 bestond er een verschil tussen 'ketters' en 'heksen. Ketters waren mensen die, volgens de kerk, op een verkeerde manier in God geloofden. Heksen waren mensen die ervan beschuldigd werden kwaad te doen in opdracht van de duivel. Veel mensen dachten dat de heksen dan ook 'gelovigen' waren van een ander soort godsdienst. Volgens de mensen die op de heksen gingen jagen was die andere godsdienst bedoeld om de duivel te aanbidden. De duivel was (zo zei men) verantwoordelijk voor alle ellende en al het kwaad in de wereld. Als de mensen iets verkeerds deden werden ze door God gestraft. De straf was dat God de duivel zijn gang liet gaan. Als de gelovige mensen iets goeds wilden doen, dan moesten ze beginnen alle aanhangers van de duivel wegjagen of doden.
In het begin werden beschuldigingen van tovenarij door de machthebbers niet serieus genomen. Wat moest je met een boer die zei dat zijn koe gedood was door tovenarij? De man vertelde dat het beest de dag ervoor nog gezond leek en nu dood in de wei lag. Een getuige vertelde dat hij een oude vrouw die voorbij was gelopen 'vreemd' naar het beest had zien kijken. Misschien zei die man maar wat en had hij zelf slecht voor het dier gezorgd.
Er waren in die tijd twee soorten machthebbers. Aan de ene kant stond de zogenaamde 'wereldlijke overheid'. Dat waren de koning en zijn dienaren in de dorpen en steden; aan de andere kant stond de kerk, onder leiding van de paus in Rome. Het was de kerk die in het begin hekserij begon te vervolgen. Later deden ook de burgemeesters en de politie mee.
De kerk kon alleen maar mensen vervolgen als zij gesteund werd door de koningen en de stadsbesturen, door die 'wereldlijke overheid'. De kerk had geen soldaten of politieagenten in dienst. Ze moest dus geholpen worden door de plaatselijke overheid. Met andere woorden: de kerk moest een koning of een stadsbestuur eerst overhalen om tot een heksenjacht over te gaan, voordat ze iets kon doen.
In de periode voor 1500 gebeurde er een aantal dingen waardoor de kerk (de paus en de bisschoppen) en de wereldlijke overheid (koningen en de keizer) steeds meer gingen samenwerken.
Er zijn geschiedkundigen die zeggen dat het allemaal begon met het uitbreken van een verschrikkelijke ziekte. In de tweede helft van de veertiende eeuw brak de Pest uit. De ziekte was heel besmettelijk en dodelijk. Niemand begreep in die tijd hoe je besmet kon worden. Ze konden de ziekte niet zien aankomen. Van de ene dag op de andere was je ziek en ging je dood. Doktoren wisten niets van dingen zoals hygiëne.
In vijftig jaar tijd stierf ongeveer een derde van de bevolking van West-Europa. Nog nooit hadden de mensen zoiets afschuwelijks meegemaakt. Ze begrepen niet waarom dit gebeurde. Ze dachten dat het de straf van God was. Maar waarvoor? Wat hadden ze misdaan? Ook de mensen van de kerk wisten het niet. Ze zeiden dat de mensen in de ogen van God hadden gezondigd.
De onvrede van de gewone mensen nam toe. Wat hadden ze aan een kerk die niet in staat was om iets te doen aan die verschrikkelijke pest? Er braken opstanden uit en oorlogen. Er werden allerlei nieuwe godsdienstige groepen (sektes) opgericht. Vreemde groepen mensen trokken door het land. Armoedig geklede mensen die zichzelf geselden (flagellanten), danszieken (die alleen gekalmeerd konden worden door ze muziek in de oren te tetteren), naaktlopers en gekkenschepen (schepen waarop men 'gekken' en soms ook besmettelijk zieken op zette). Deze schepen voeren de rivieren af, maar mochten nergens aanleggen. Voedsel werd meestal vanaf de oever toegeworpen.
Uiteindelijk uitte deze onvrede zich in de snel groeiende aanhang van hervormers zoals Luther en Calvijn. Luther en Calvijn waren mensen die andere ideeën hadden over het geloof. Er waren veel mensen die hen wilden volgen. Zij werden vervolgd door de katholieke kerk.
Ook waren er opstanden van boeren en burgers, vooral in Frankrijk en Duitsland. Omdat de opstanden wreed werden onderdrukt (ook door de hervormers), uitte men de onvrede op een andere manier. Er waren immers mensen die altijd al hadden gezondigd? Zij werden het doel van vervolgingen. Wie die mensen waren? Het waren 'rare mensen', 'eigenaardige oude vrouwtjes', 'mensen die er anders uitzagen' en tenslotte de eigen buren... Kortom, het waren 'heksen'.