De training

De trainer geeft altijd aan een team de training. Het hangt van het niveau af hoevaak je in de week traint. Vaak is dit 1 of 2 keer in de week op een vaste trainingstijd.

Warming-up

De training begint vaak met een warming-up. Dit betekent dat je een aantal oefeningen doet om je spieren warm te maken, zodat je minder kans op blessures hebt. Meestal is een warming-up een aantal keren heen een weer lopen. Eerst een beetje rennen en daarna andere loopvormen bijvoorbeeld huppelen, zijwaarts bewegen, enz. Daarna ga je van onder naar boven even alle spieren losmaken.

Inspelen

Na de warming-up ga je met tweetallen inspelen. Je gaat tegenover elkaar staan en speelt de bal steeds naar elkaar. Het is de bedoeling dat je probeert om te gaan sparren. Dit houdt in dat je begint met een pass (onderhands), de ander geeft dan een set-up en degene die de pass gaf slaat weer op degene die de set-up gaf, die geeft weer een pass enz enz. Dit moet je proberen zo lang mogelijk vol te houden.

Oefeningen

Als je alles goed warm hebt, en je bent ook goed gewend aan de bal, dan gaat de trainer verder met zelfbedachte oefeningen. Dit verschilt iedere training. Een oefening wordt aangepast aan het aantal teamleden. Het is de bedoeling dat iedereen bezig is.

Vaak hebben mensen ook een vaste positie in het veld, er is bijvoorbeeld iemand die altijd de set-up geeft en iemand die altijd aanvalt. Hierop wordt op de training extra geoefend.

Partijtje

Aan het eind van de training wordt er vaak een wedstrijdje gespeeld tussen de teamleden zelf. Als er te weinig mensen zijn om zes tegen zes te spelen dan wordt het veld gewoon iets kleiner gemaakt en speelt men met eigen spelregels.

Cooling-down

De cooling-down is eigenlijk het tegenovergestelde van warming-up. Aan het eind van de training loopt iedereen nog even een paar keer heen en weer, en worden ook de spieren weer losgemaakt. Dit helpt spierpijn de volgende dag voorkomen.