Pruikentijd
18e eeuw
In de eerste helft
van de 18e eeuw waren de kooplieden heel rijk. De kleding van de
kooplieden was dan ook heel mooi. Er werd veel zijde gedragen.
De kapsels in de pruikentijd vielen erg op. Het eigen haar van de
mannen werd achterin de nek vastgebonden met een netje. Daar
overheen werd een pruik gedragen, die ze een kleur gaven met
poeder. De pruik werd van achteren in een zwart zijde zakje bij
elkaar gebonden, het zakje maakte je weer vast met een strik. Bij officiële gelegenheden droeg men witte pruiken. Pas later ging
men de pruik de kleur geven van hun eigen haarkleur.
Het haar van de vrouwen zat vrij eenvoudig. Zij droegen geen
pruiken, maar voegden een paar valse krullen toe in hun eigen
haar, wanneer het eigen haar te dun was. De vrouwen droegen ook
kleine boeketjes bloemen of namaakbloemen in het haar.

De mannen
Op de herenhemden
zaten midden voor een strook met franjes (sliertjes en stukjes stof die het hemd
sierlijker maken), deze noem je de jabot. In
plaats van een kraag, droegen de mannen nu zwart fluwelen linten
om hun nek. Dit lint werd vastgemaakt aan het netje van het
pruikenstaartje achter aan het hoofd. Dan haal je het lint om de
hals naar voren en strik je het met een broche. De broeken zaten
strakker om het been, tot iets onder de knie. De lintjes onderaan
de broeken werden nog wel gedragen. Het verschil was dat de broek
geen pofbroek meer was (zoals bij de gouden eeuw 17e eeuw).
De mannen droegen ook een mantel tot boven de knie, deze mantel
leek op een jurk. In deze mantel zaten knopen van boven tot
beneden. Vaak droeg men de mantel open, of maakte hem met één
knoop vast.
Mannen droegen zwarte leren schoenen met hoge hakken. Het liefste
waren deze hakken rood. Deze schoen werd versierd met gespen.
De vrouwen
Het ideaalbeeld van de vrouwen was lang en slank te zijn. Het korset werd versierd met kant en strikken. Het korset
is een bovenstuk dat de vrouwen strak om zich heen bonden zodat
ze erg slank leken.
De rokken waren nog steeds erg wijd, er werden zelfs hoepels
onderin de rok gemaakt zodat deze wijd bleef staan. Dit was niet
fijn om te dragen, daarom droegen ze het alleen bij officiele
gelegenheden.
Ook werd vaak een heuppanier gedragen. Dit was om de heupen extra
breed te laten lijken. Dit was ook een schoonheidsideaal.
De schoenen van de vrouwen waren van leer met een rood geverfde
hak of de hak was helemaal van satijn. De schoenen werden
versierd met gespen of met kleine edelsteenbroches.
Hieronder zie je het korset (links) en de heuppanier (rechts)