Hoe werkt het oog.
Bij de bouw van het oog bespraken we dat de lens zich kan 'bollen'of 'platten ten opzichte van het dichtbij of verafgelegen voorwerp.
Om een scherp beeld van b.v. een kaars te krijgen, moeten de lichtstralen die afkomstig zijn van die kaars waarnaar gekeken wordt, allemaal op dezelfde hoogte op het netvlies van het oog samen komen.
De lichtstralen worden onder andere door de lens afgebogen. Als de lens bol is worden de stralen sterker afgebogen dan wanneer de lens plat is. Nu is de vorm van de oogbol niet bij iedereen hetzelfde. Het oog kan diep of ondiep zijn. Als het ook diep is, komen de lichstralen een stukje voor het nietvlies samen. De kaars is dan onscherp. Wanneer de kaars wat dichterbij komt wordt het wel scherp. Mensen met zulke ogen noemen we bijziend.

Bij andere mensen is de oogbol erg ondiep. De afgebogen lichstralen ontmoeten elkaar op een denkbeeldige plaats achter het netvlies. Ze zien de kaars zonder bril onscherp. Deze mensen noemen we verziend. Als de lens wat boller wordt, worden de lichstralen sterker afgebogen, waardoor er alsnog een scherp beeld onstaat.

Na ongeveer het veertigste jaar wordt het vermogen van de lens om zich te bollen minder. Oudere mensen moeten de krant steeds verder van zich af houden om de letters scherp te zien. Op een gegeven moment worden hun armen te kort om de letters nog scherp te zien en moet men een leesbril aanschaffen. Bij iemand die van jongs af aan bijziend is geweest, zal op oudere leeftijd gewoon zien en geen bril meer nodig hebben.
Hieronder zie je een plaatje van een normaal gezichtsvermogen.
