beeldbeschouwing
Een beeldbeschouwinggesprek, hoe doe je dat?
De voorbereiding
U kunt uzelf de volgende vragen stellen:
*Wat is het doel van mij beschouwingsgesprek? (Wat wil ik dat de
kinderen leren?)
*Welke beeldmateriaal heb ik tot mijn beschikking?
*Welke klassenopstelling kies ik?
Verschillende aspecten van een beeldbeschouwinggesprek
Hieronder volgt een beschrijving van de
verschillende aspecten die van belang zijn bij een
beschouwinggesprek. Sommige van deze aspecten zijn typerend voor
beeldbeschouwinggesprekken, andere gelden in principe voor elk
onderwijsleergesprek:
1) Introductie: vergroten van de
betrokkenheid
Er zijn talloze introductievormen. Belangrijk is dat ze de
belangstelling van kinderen wekken en dat ze een duidelijk
relatie hebben met het onderwerp van de les. Als kinderen gewend
zijn bij een teken- of handvaardigheidles meteen aan het werk te
gaan, kan het belangrijk zijn het doel van het gesprek even toe
te lichten. Als kinderen weten waarover het gaat en wat ze kunnen
verwachten, kunnen ze gerichter luisteren en zitten ze niet
steeds op het puntje van hun stoel om áan het werk te gaan'.
Enkele voorbeelden:
-Een echt kunstwerk, of een onbekend voorwerpvan vroeger is vaak
al zo bijzonder dat u niet zoveel moeite hoeft te doen om
belangstelling te wekken. U kunt daar makkelijk met een open
vraag op inspelen.
-Een gesprek over eigen ervaringen, een verhaal, een prikkelende
vraag of een bepaald waarnemingsspelletje. Dit zijn geschikte
vormen bij platen die wat 'gewoner'zijn.
-Als leerkracht een nauwkeurige beschrijving geven van een
schilderij dat voor de kinderen onzichtbaar is. Zij mogen vragen
stellen. Daarna maakt iedereen een tekening over hoe hij denkt
dat het schilderij eruit ziet.
2) De vraagstelling: open en gesloten vragen
U hebt de keuze uit open en gesloten vragen. Op gesloten vragen
is maar 1 antwoord mogelijk, open vragen laten verschillende
goede antwoorden toe.
Voorbeeld van een gesloten vraag: Van welk materiaal is het beeld
van Steef Rothaan gemaakt? Dit is een kennisvraag en het antwoord
is brons.
Een iets opener vraag is: Hoe zou dit beeld kunnen heten? Ook al
heeft de kunstenaar het beeld een titel gegeven, andere
antwoorden zijn ook mogelijk.
Een heel open vraag is: Wat vind je van dit beeld?
Toch gaat het bij beeldbeschouwing niet alleen om het geven van
goede antwoorden komen. Veel belangrijker is dat kinderen leren
verwoorden hoe ze tot hun antwoord komen. Daarom is het
belangrijk om verder dóór te vragen: Waaraan zie je dat?
3) De vijf kernvragen in uw achterhoofd
--> Wat is je eerste indruk?
Vaak reageren kinderen al spontaan. Zo niet, stel dan open vragen
als: Wie wil er iets vertellen over dit beeld, schilderij,
gebruiksvoorwerp? Is er iets dat je opvalt? Zijn er kinderen die
nog iets anders ontdekt hebben? Enzovoort. Ga er niet te lang op
door, maar probeer belangrijke opmerkingen te onthouden en kom
daar later op terug.
-->Wat zie je?
*Wat is het voor een (kunst)werk en waar zie je dat aan?
*Wat stelt het (kunst)werk voor?
*Wie zijn er afgebeeld? Wat doen ze? Waar is het? Wanneer is het?
*Wat is het voor een gebouw? Wat is de gebruiksfunctie van het
voorwerp?
*Techniek:Hoe is het gemaakt? Van welk materiaal? Met welke
techniek?
*Beeldaspecten: Wat kun je vertellen over de kleuren? Is het
schilderij met lijnen of vlakken? Wat valt je op aan de lijnen?
Wat kun je vertellen over de vormen?
Stel niet alle beeldaspecten aan de orde, maar alleen die
beeldaspecten, die relevant zijn voor het werk.
--> Wat betekent het?
Deze vraag is te moeilijk om zo te stellen. U zult deze vraag
moeten toespitsen. De kern daarbij is dat de kinderen ontdekken
waar het (kunst)werk over gaat. Dat ze de 'inhoud', het 'verhaal'
van een werk ontdekken.
Voorbeelden voor bij een schilderij:
*Wat gebeurt er precies, is er gebeurd of zal er gebeuren?
*Wat willen, denken of voelen de mensen of dieren (uit het
schilderij)?
*Waar doet het je aan denken?
*Heb je een idee wat de maker met dit werk zou willen vertellen?
--> Hoe weet je dat?
We willen dit aan de hand van een voorbeeldje duidelijk voor u
maken:
Kind zegt iets over een persoon uit een schilderij: 'Ik denk dat
hij erge geldzorgen heeft'. (interpretatie)
Leerkracht: 'Hoe weet je dat? 'Kun je dat ergens aan zien?'
Kind: 'Nou, hij heeft een beetje wallen onder zijn ogen.'
Leerkracht: 'Zijn er nog meer dingen waar je dat aan kan zien?'
Kind: 'Aan de kleuren. Het zijn een beetje sombere kleuren, veel
groen en bruin en zo.'
Door hun interpretatie met elementen uit het schilderij te
onderbouwen, zoals voorstelling, beeldaspecten, gebruik van
materialen/ technieken leren kinderen steeds beter te kijken.
Belangrijk is om versschillende kinderen aan het woord te laten
komen en de verschillende interpretaties tegen elkaar af te
wegen.
--> Wat vind je ervan?
Voorbeelden:
*Wat vindt je ervan? Wat maakt dat je dat vindt?
*Is je mening nu je langer gekeken hebt en erover gepraat hebt
anders dan je eerste indruk? Waardoor komt dit?
*Het beeld is zoals de maker/ kunstenaar het wilde. Als jij een
.................... zou maken, hoe zou je dat doen?
Het is de vraag of het niet belangrijker is, dat kinderen een
interpretatie geven dan een oordeel...
4) Gesprektechnische aanwijzingen
Het is belangrijk dat kinderen zich tijdens een gesprek veilig
voelen en uitgenodigd worden tot actieve deelname. Daarom volgen
hier een aantal gesprekstechnische aanwijzingen die de interactie
kunnen bevorderen. Deze aanwijzingen zijn niet specifiek voor een
beeldbeschouwinggesprek. Ze gelden in principe voor elk
onderwijsleergesprek.
-Bevestiging en respect voor elkaar.
-Kinderen stimuleren tot een gevarieerde gesprekbijdrage.
-Feedback geven.
We gaan hier niet te diep op in, want we nemen aan dat u dit als
leerkracht zelf ook al toepast in andere kringgesprekken.