Spelletjes

voor de leerkracht

 

Pesten, doe er wat aan! Je kunt het beter voor zijn. Hieronder zullen een paar spelletjes volgen die in de klas uitgevoerd kunnen worden. Tijdens deze spelletjes moeten de kinderen veel met elkaar samenwerken. Door deze spelletjes te spelen en over het onderwerp pesten te praten, kun je het 'misschien' voor zijn!?

De spelletjes komen uit de boeken:

 

De spelletjes

Voorbeeld 1: Beste maatjes

Partners leren hoe belangrijk het is elkaar in de gaten te houden.

Voorbereiding: maak een grote ruimte vrij.

1. Wijs een 'boeman' aan en verdeel de overige spelers twee aan twee in 'beste maatjes'. De partners worden van elkaar gescheiden: de éne loopt met de klok mee in een binnenkring, de ander loopt in tegengestelde richting in de buitenkring. De boeman zit in het midden.

2. Vóór iedere ronde neemt de boeman een getal in gedachten van 1 tot 50. Terwijl hij hardop aftelt, lopen de gescheiden partners in tegengestelde richting rond. Wanneer de boeman het gekozen getal heeft bereikt, roept hij of zij: 'Beste maatjes!' Alle partners lopen dan zo snel mogelijk naar elkaar toe, leggen de handen op elkaars schouders en gaan op hun hurken zitten.

3. Het laatste paartje dat neerhurkt moet bij de boeman in het midden gaan staan. In de volgende ronde tellen ze samen met de boeman hardop af.

4. Naarmate het spel vordert staan steeds meer spelers in het midden, terwijl het aantal beste maatjes zienderogen slinkt. Het aftellen wordt steeds luidruchtiger.

5. Het allerlaatste paartje heeft wel een warm applaus verdiend.

Variant: voor jongere kinderen kan de boeman een vos zijn en de maatjes kippen. In plaats van 'beste maatjes' roept de vos: 'Etenstijd!'

 

Voorbeeld 2: Wat ben je aan het doen?

Een leuke manier om klusjes op te knappen...je doet alsof.

Voorbereiding: maak voldoende ruimte vrij voor een aantal kringen.

1. Vorm kringen van elk ongeveer 10 spelers.

2. In iedere kring wordt een speler aangewezen die één of ander klusje begint uit te beelden, bijvoorbeeld de auto wassen, de kat eten geven, het hek schilderen, enz.

3. De speler aan zijn of haar rechterkant vraagt: "Wat ben je aan het doen?" De eerste speler antwoordt met iets anders dan hetgeen hij eigenlijk uitbeeldt. Bijvoorbeeld, terwijl Anne doet alsof ze het hek schildert, zegt ze tegen Tom, die haar de vraag heeft gesteld: "Ik ben de hond aan het wassen."

4. Tom begint onmiddellijk uit te beelden hoe je de hond wast, maar als de volgende speler hem vraagt: "Wat ben je aan het doen?", antwoordt hij, terwijl hij verder de hond wast: "Ik zet de auto in de was."

5. Het spel gaat zo de hele kring rond. De spelers die aan de beurt zijn gekomen, blijven hun klusje verder uitvoeren. Zo ontstaat al gauw een bedrijvigheid van jewelste.