Landen waar veel aardbevingen voorkomen liggen op randen van platen. Sterke krachten in de aardmantel zorgen ervoor dat de platen zich langzaam verplaatsen (verschuivende platen). Het gevolg is dat de platen langs elkaar schuiven of tegen elkaar botsen. Daardoor kunnen er in gesteenten grote spanningen ontstaan (zie foto San Andreasbreuk in Californië).
Wanneer de spanning te groot wordt, komen er
plotselinge verschuivingen voor. Langs de randen van de platen
komt vulkanische activiteit voor als de onderliggende platen
tegen elkaar aan komen. Het magma stijgt vanuit de mantel omhoog,
omdat het bij de plaatgrenzen de minste weerstand ontmoet.
Aardbevingen ontstaan door het plotseling
verschuiven van gesteentelagen in de ondergrond. Dat vindt plaats
op een BREUKLIJN. Zo'n verschuiving duurt meestal maar een paar
seconden. De plaats in de binnenste aarde waar zo'n
verschuiving plaats vindt, heet de AARDBEVINGSHAARD (=1 op de
tekening hiernaast). Door de verschuiving ontstaan trillingen. Op
het aardoppervlak zijn deze trillingen het sterkst voelbaar in
het EPICENTRUM (=2 op tekening hiernaast). Het epicentrum is het
punt op het aardoppervlak, dat recht boven de aardbevingshaard
ligt.
In berichten over aardbevingen hoor je vaak de schaal van Richter noemen. Met de schaal van Richter wordt de sterkte van de aardbeving aangegeven. De schaal loopt van 1 tot en met 9 (zie de trillingen 3 hierboven).