Naar de Olympische Spelen

 

Op de Olympische Spelen komen de topsporters van de hele wereld bij elkaar om te strijden om de hoogste eer. Elk land stuurt de beste sporters naar de Olympische Spelen. Deze worden geselecteerd (uitgekozen) door het Olympisch Comité. Elk land heeft zo'n eigen comité. In 1912 is het Nederlands Olympisch Comité opgericht. Uit alle landen die aan de Olympische Spelen meedoen komen leden van het IOC in het kantoor in Zwitserland bijeen om te vergaderen. Het Nederlands Olympisch Comité bepaalt welke sporters er naar de Olympische Spelen mogen. De sportbonden helpen daar een handje bij. Elke sport heeft een eigen vereniging (een sportbond). Er zijn natuurlijk heel veel sporters, maar die kunnen niet allemaal mee naar de Spelen. Daarom selecteren het NOC en de sportbonden de allerbeste sporters. Om de sporters uit te kunnen kiezen, moeten ze aan een bepaalde norm voldoen. Een norm is een bepaalde eis waaraan de sporters moeten voldoen. Een voorbeeld: de sporter moet tot de beste 10 van Nederland behoren.


Naast normen werkt men ook met limieten. Limieten zijn grenzen die je precies in tijd kunt meten. Limieten kun je verdelen in 2 groepen: je hebt limieten in tijd (meestal seconden) en limieten in afstand (meestal centimeters). Een voorbeeld: een hoogspringer moet minstens 2 meter en 28 centimeter kunnen springen. Als hij minder hoog springt, komt hij niet in aanraking om mee te mogen naar de Spelen.


Per sport worden deze limieten en normen vastgesteld. Deze worden ongeveer een jaar van tevoren bekendgemaakt. De sporters kunnen zich dan voorbereiden op de selectiewedstrijden. Hierin kunnen de sporters laten zien dat ze aan de vastgestelde limiet voldoen. Ook de sporters die bijvoorbeeld twee jaar geleden al wereldkampioen zijn geworden, moeten weer opnieuw laten zien dat ze nu ook nog de limiet kunnen halen.

Het NOC selecteert niet alleen sporters, maar heeft ook nog andere taken. Zo zorgt het voor het vervoer van de sporters, voor de benodigdheden van de sporters bijvoorbeeld de fiets van een wielrenner, het paard van een ruiter, het tennisracket van een tennisser. Ook regelt het Nederlands Olympisch Comité het verblijf in het olympisch dorp. Hierin zijn speciaal voor de sporters woningen gebouwd. Het dorp wordt heel streng bewaakt. Door middel van strenge controles zorgen de bewakers voor de veiligheid van de sporters.
Het NOC regelt ook de kleding van de sporters. Voor elke Olympische Spelen worden nieuwe kleren ontworpen. Dit kost natuurlijk allemaal een hele hoop geld. Het NOC betaalt hier veel voor. Maar er zijn ook bedrijven die een handje helpen. In ruil voor geld wordt er dan reclame gemaakt. De bedrijven die dat doen, noemen we ook wel sponsors. Wel moeten de sponsors zich aan bepaalde regels houden. Zo mag er bijvoorbeeld geen reclame op de shirts van de deelnemers staan.

Om de top te kunnen bereiken moeten de topsporters hard trainen en er veel voor over hebben. Vaak trainen ze wel 3 tot 6 uur per dag. Ze gaan elke dag vroeg naar bed en hebben weinig tijd voor andere dingen. Sommige sporters geven zelfs hun werk of studie op om te kunnen trainen.
Als een sporter de limiet heeft gehaald, wordt er een trainingsschema gemaakt. In dat trainingsschema staat hoe de sporter zich op de Spelen gaat voorbereiden, hoeveel uren per dag ze gaan trainen en welke oefeningen ze gaan doen. De trainingen worden verzorgd door een trainer. Hij laat de sporters de oefeningen doen. De coach neemt de leiding. Hij zorgt dat er een goed plan komt om een topprestatie te halen. In een trainingskamp bereiden veel sporters zich voor op de Spelen. Men gaat daarvoor vaak naar het buitenland en daar zijn ze dan de hele dag aan het sporten.

Omdat elke sporter ook een goede conditie en sterke spieren moet hebben, doen ze ook andere oefeningen die niets te maken hebben met hun sport. Zo doen ze looptrainingen die zorgen voor een goede conditie (uithoudingsvermogen). Daarnaast doen ze ook aan krachttrainingen met gewrichten, die zorgen voor sterke spieren.

Met de topsporters gaan er altijd heel veel mensen mee naar de Spelen. Zij zorgen ervoor dat de sporters goed worden verzorgd en begeleid. Per 2 sporters gaat er 1 begeleider mee (bijvoorbeeld trainers, coaches, artsen en verzorgers). Daarnaast gaan er allerlei bestuurders van het NOC en de sportbonden mee. Er zijn heel veel mensen en daarom gaat er met de ploeg (delegatie) ook een delegatieleider mee. Deze delegatieleider houdt toezicht op de selectie van de sporters en op het vervoer en verblijf van de deelnemers. Ook regelt hij contacten tussen de sporters en de pers. Ook gaat er nog een leider van een groep deelnemers mee die dezelfde sport beoefenen. Deze persoon heet de chef d'équipe (Dat is Frans, je spreekt het uit als sjef deekiep)