
Alle sporten op de Olympische Spelen worden beoefend op ijs of sneeuw. De deelnemers in Salt Lake City in het jaar 2002 beoefenden acht sporten en sporttakken met bijna 60 individuele en groepsonderdelen waarvoor medailles werden uitgereikt. Evenals bij de zomerspelen zijn er ploegsporten waarbij de deelnemers individueel strijden en hun scores bij elkaar optellen. Bij andere, zoals curling, strijden zij als team. Curling lijkt op bowlen. Het wordt gespeeld op een ijsbaan door twee groepen van vier spelers die grote stenen over het ijs naar een doel laten glijden.

Noordse combinatie
Langlaufen en schansspringen zijn de onderdelen van de Noordse combinatie. Het skiën over afstanden van 5 tot 50 km is verdeeld in klassieke nummers en vrije nummers, waarbij geen schaatsbeweging mag worden gemaakt.
Bobsleeën
De nummers tweemans- en viermansbob vinden plaats op een steile, smalle, met ijs bedekte baan met rechte stukken en bochten. De teamleden duwen de slee aan en springen erin als ze vaart begint te krijgen. Voorin zit een stuurman. Het team met de snelste tijd over vier winnaars is winnaar.
IJshockey
Het snelle, actieve ijshockey is de enige teamsport met een veldkarakter op de Olympische Winterspelen. Er zijn toernooien voor mannen en vrouwen. Van een team van 20 spelers mogen er inclusief de doelman zes tegelijk op het ijs staan.

Rodelen
Bij rodelen wordt een lichte slee gebruikt die lijkt op een tobogan. De rodelaars volgen dezelfde met ijs bedekte baan als de bobsleeërs. De voeten liggen naar voren en het sturen gebeurt met kleine voet- en lichaamsbewegingen. Er zijn rodelnummers voor eenzitters dames en heren en voor tweezitters heren. De rodelaars met de snelste tijd over een aantal races zijn winnaar.

Skiën
De traditionele alpine-skinummers voor mannen en vrouwen zijn de afdaling, slalom, reuzenslalom en superreuzenslalom of super-G. Het gecombineerde nummer bestaat uit een slalom en een afdaling. In 1998 deden twee snowboardnummers hun intrede, de superreuzenslalom en de halfpipe. Er zijn twee nummers stuntskiën vrije stijl: mogulskiën en aerials, bij het laatste doen skiërs kunstjes, pirouettes en saltos over een schans.
Biatlon
Bij de biatlon skiën de deelnemers over een crosscountrybaan waarbij zij een aantal keren stoppen om op een doel te schieten. Bij de 15 km voor vrouwen wordt bijvoorbeeld viermaal gestopt voor vijf schoten. De snelste wint en een gemist doel wordt bestraft met een tijdboete of een korte strafronde.
Hardrijden op de schaats.
De lange afstand wordt gereden op een ovale baan van 400 km. Deelnemers schaatsen twee aan twee tegen de klok over afstanden van 500 tot 1000 km. Bij shorttrack rijden de deelnemers tegen elkaar rond een kleine baan van 111m. de afstanden zijn 500m en 1100 m individueel en 3000m aflossing.
