De Gouden Eeuw
In de 17e eeuw ging het erg goed met
Nederland. Door de zeevaart en de handel met overzeese gebieden
werd Nederland erg rijk. Er was sprake van welvaart*. Vooral op
het gebied van handel, wetenschap en de kunst.
Amsterdam werd de belangrijkste
haven van heel Europa. Eerst was dat Antwerpen, maar die werd
afgesloten voor de scheepvaart. Geen enkel schip kon meer naar
Antwerpen varen. De handelaren uit Antwerpen vertrokken naar
Amsterdam. Van overal over de wereld werden producten doorgevoerd
naar Amsterdam. Amsterdam was het middelpunt. Soms werden
producten naar Amsterdam gebracht om te worden opgeslagen
in de grote pakhuizen langs het water. Amsterdam werd daarom ook
wel de stapelmarkt genoemd, producten werden opgestapeld.

In 1609 werd in Amsterdam een
wisselbank opgericht. Tegen lage rente konden grote bedragen
worden geleend. Dit stimuleerde de (zee)handel en nijverheid. Tot
ver in de 18e eeuw bleef Amsterdam het financiële centrum van de
wereld.
De handelaren haalden veel
grondstoffen uit andere landen en vervolgens werden van die
grondstoffen in Nederland luxe producten gemaakt. Door deze
producten met veel winst te verkopen, werden de handelaren steeds
rijker en rijker.
Ook omliggende gebieden hadden hun
voordeel van de grote bloei van de steden in Nederland. De
veeteelt bijvoorbeeld deed goed werk met de productie van kaas en
boter. Dit kon weer worden verhandeld. Door het verbouwen van
hennep werden er nieuwe zeilen en touwen gemaakt voor de
scheepvaart. En de vengraverijen in Oost-Groningen waren
energieleveranciers voor de steden in het westen.
Boeren gingen meer verbouwen, zodat
ze het overschot konden verkopen. Omdat de concurrentie erg groot
werd, gingen boeren zich specialiseren tot één bepaald product.
De handel nam hierdoor toe. De dingen die men zelf niet verbouwde
moesten nu bij anderen gekocht worden. Er waren ook boeren die te
weinig geld verdienden met hun gewassen en zij vertrokken naar de
steden om werk te zoeken.
Ook buitenlanders kwamen naar
Nederland om werk te zoeken. Een groot deel van de Nederlanders
was immers in dienst van de koloniën.
Leiden was in die tijd beroemd om
zijn lakenindustrie. Door deze rijkdom breidde de stad zich snel
uit en werden er dure huizen gebouwd.
Veel beroemde schilders, waaronder
Rembrandt van Rijn, woonden en werkten in de stad met het
bloeiende kunstleven. De functie van marktplaats, zoals Leiden
die al in de Middeleeuwen had, werd belangrijker en de bouw van
de stad met zijn waterwegen stond vooral in het teken van
economische bloei.
Deze periode van welvaart in de 17e
eeuw noemen we de Gouden Eeuw.