De VOC in Japan
Een heel bijzondere rol speelde Japan. Eeuwenlang was Japan afgesloten voor vreemdelingen.
In 1609 kwamen de Nederlanders aan in Japan. In een brief van Prins Maurits vroeg de VOC om een handelsnederzetting in Japan op te richten. Ze kregen er de toestemming voor. In Hirado werd een factorij gebouwd. Maar een aantal jaren later veranderde de situatie en richtte men acties tegen de Nederlanders, andere vreemdelingen en vooral Christenen. De meeste vreemdelingen moesten zo snel mogelijk Japan verlaten. Voor een aantal Nederlanders werd een uitzondering gemaakt.
Voor Chinezen en Nederlanders werden twee kunstmatige eilanden gemaakt.
Op het kleine eiland Deshima voor de kust van Nagasaki werden in 1641 Nederlanders gevestigd, die van hieruit met de Japanners handel dreven. Ze mochten het slechts één keer per jaar verlaten. Dat deden ze om de Shogun* in de hoofdstad Edo te bezoeken.
De Shogun was
heel machtig. Hij waarborgde* de zakelijke interesses van de
keizer in Japan. De Shogun bestelde als het ware een hele
boodschappenlijst met goederen bij de Nederlanders:
wetenschappelijke instrumenten of bepaalde producten vanuit
andere Aziatische landen. Dit jaarlijkse bezoek bij de Shogun was
een vast ritueel, en behalve dat hij de gewenste producten
ontving, bleef de Shogun op deze manier op de hoogte van de
dingen die ergens anders in de wereld gebeurden.
Voor de Nederlanders die het
handelsmonopolie* met Japan hielden deed zich een andere wereld
open en ze konden thuis over een heel andere cultuur berichten.
Japan leverde als handelsproducten vooral
metalen: goud, zilver en koper en in mindere mate lakwerk, kamfer
en porselein.