Het leven aan boord van een Oost-Indiëvaarder

Wie monsterde* nou voor zo een lange reis op de schepen aan?

Zeevaarders die voor zichzelf en hun gezin geld wilden verdienen, of mensen die in het Oosten carrière wilden maken om als rijke man terug te keren in Delft, Middelburg of Rotterdam. Ook mensen op zoek naar avontuur of met een drang om meer over verre en vreemde volkeren te weten te komen gingen met de VOC-schepen naar Azië. Maar er waren ook duistere figuren aan boord van de schepen. Deze monsterden aan om de schout* of de schuldeisers te ontlopen. De zee en het zeemansleven hebben in Nederland altijd tot idealisering* geleid.

Het leven aan boord

Aan boord was heel weinig ruimte. De meeste ruimte werd als opslagplaats* gebruikt. Natuurlijk hadden de officieren en de VOC-ambtenaren de meeste ruimte en het beste voedsel. Door het steeds viezer wordende water en het in toenemende mate bedorven* voedsel kwamen op elke reis veel mensen om het leven door o.a. scheurbuik. Scheurbuik ontstaat op lange reizen door een tekort aan verse groente (hevig vitamine C tekort). Maar ook andere ziekten waren aan de orde. Bijvoorbeeld tyfus* en de pest* die door ratten verspreid werden.

Tijdens zware stormen verloren veel zeemannen hun leven. Maar ook tijdens het gewone allerdaagse werk. Als een matroos per ongeluk over bord ging, kwam hulp meestal te laat, want de meeste matrozen konden niet zwemmen.

Kaap de Goede Hoop was een soort verversingsstation*. Er werd vers voedsel en drinkwater aan boord gehaald en de zeemannen konden weer wennen aan de vaste wal*. Daarna wachtte nog een lange reis.

De manschappen waren zich goed bewust van de gevaren die op zee dreigden en van hun afhankelijkheid van een hogere macht, die over hen waakte. In de keurig bijgehouden logboeken* kan men het vertrouwen dat de manschappen en de kapitein in God uitsprak steeds weer terugvinden. Veel zeemannen waren ook heel bijgelovig, maar dat waren eigenlijk alle mensen in die tijd.

De zeemannen hadden maar een kleine hangmat onder het dek tussen dozen met lading en kanonnen. Meerdere matrozen deelden één hangmat. In het gunstigste geval enkele maanden, maar wanneer het tegen zat, deelden ze hun hangmat langer en zagen zij wel bijna een halfjaar lang nauwelijks iets anders dan water of af en toe in de verte de vage kust.

Zeemannen moesten blind gehoorzamen. Als een zeeman zich niet aan de regels en de orde hield, waren de straffen heel streng: In de boeien slaan,  opsluiten met alleen water en brood, geselen* op de blote rug, kielhalen*, aan land zetten, of het nagelen van de rechterhand met een mes aan de mast…Dat is slechts een deel van de straffen die aan boord werden gehandhaafd*.