De farao’s:

 

Wat zijn farao’s:

Het oude Egypte werd geregeerd door koningen of farao’s. Zij hadden de absolute macht. Dat wil zeggen dat alles in het land gebeurde terug ging op de farao.

Hij had op grond van zijn ambt als enige wetgevende macht. Wetten en decreten werden door hem uitgevaardigd. Hij benoemde ambtenaren en priesters, die allen in zijn naam en als zijn plaatsvervanger taken in het land waarnamen. In de persoon van de koning vormen wetgevende en uitvoerende macht een eenheid. Hij is dus degene die alle belangrijke beslissingen nam.

De farao was ook de bevelhebber van de krijgsmacht. Zijn persoonlijke aanwezigheid bij veldtochten is in vele gevallen bewijsbaar. Daarenboven was hij degene die de beslissing over oorlog en vrede nam en het leger liet oprukken.

De Egyptenaren geloofden ook dat de farao’s verkozen waren door de goden. Na hun dood zouden de farao’s zich voegen bij de goden. Om die reden besteedden zij extra zorg aan het begraven en het mummificeren van de farao’s en aan het bouwen van prachtige graven.

Een farao werd omringd door ambtenaren, hogepriesters en ambassadeurs. Zij moesten hem bijstaan bij het regeren van zijn koninkrijk. Aan het hof leefden ook narren en de vrouwen van de koninklijke harem. De farao en de hovelingen leefden in grote luxe. DE vrouwen droegen gewoonlijk zware oogmake-up en hadden ingewikkelde kapsels.

Wanneer regeerden de farao’s:

De periode dat er farao’s regeerden over Egypte is opgedeeld in meerdere delen. Deze delen noemen ze dynastieën.

 

Enkele bekende farao’s:

Cleopatra:

Waarschijnlijk de bekendste Egyptische koningin, waarover nog steeds veel mythes en verhalen de ronde over doen. Ze werd omschreven als 'uitmuntend in intelligentie, vorming en cultuur'. Ze zette haar charme in om belangrijke mannen voor haar te winnen en zo haar plannen door te kunnen voeren. Cleopatra was echter anders dan Hadsjepsoet een toonbeeld voor vrouwelijkheid. Ze wist haar vrouwelijke charmes niet onder stoelen of banken te steken en hield evenveel van schoonheid en hartstocht als van politieke machtspelletjes.

Cleopatra regeerde in eerste instantie doordat ze na de dood van haar vader, Ptolemaeus XII, haar minderjarige broer Ptolemaeus XIII van de troon stootte. Ze werd echter verbannen naar Syrië. Pas met hulp van de Romeinen lukte het haar de Egyptische troon te heroveren. Bij de Romeinse keizer Ceaser kreeg ze een zoon maar in diezelfde periode begon ze een liefdesrelatie met dienst legeraanvoerder Antonius. Uit deze verhouding kwam de tweeling Alexander en Cleopatra en de zoon Ptolemaeus Philadelphos voort. Toen Antonius vanwege een strategische fout de oorlog tegen Rome verloor, pleegde hij zelfmoord. Tegelijkertijd werd Kaiserion, de zoon van Cleopatra en Caesar, samen met zijn vader in Rome vermoord. Omdat Cleopatra de Romeinen niet de triomf van haar gevangenneming gunde, koos ze na de bijzetting van haar geliefde Antonius eveneens voor zelfmoord.

Echnaton: de hervormer

Echnaton werd geboren als Amenhotep IV als zoon van Amenhotep III. Voor dat hij de troon besteeg was hij al in de echt verbonden met Nefertite. In het vijfde regeringsjaar van de farao veranderde hij van naam. Echnaton was meer een naam die bij het geloof hoorde wat hij nog maar kort geleden geïntroduceerd had. Het nieuwe geloof betekende dat alle goden ineens overbodig waren geworden. Er kwam voor alle goden één god in de plaats: Aton. Aton was er allerlei gedaantes en vormen. Op afbeeldingen is de meest gebruikte vorm die van een zonneschijf waaruit stralen in handen overgaan. Het volk was echter niet bepaald blij met deze omslag maar Echnaton drukte zijn zin door met geweld. Hij liet zelfs verwijzingen in tempels naar andere goden zo veel mogelijk wegbeitelen om de herinnering aan hen te doen verdwijnen. Later tijdens zijn regeringsperiode besloot Echnaton ook nog eens de hoofdstad te verplaatsen naar een nieuw te maken stad. Achet-Aton, tegenwoordig bekend onder de naam Tel el-Amarna, was de nieuwe hoofdstad van het wereldimperium Egypte. Deze stad werd ook veelvuldig gebouwd volgens de nieuwe regels die Echnaton voorschreef. Waar in de jaren voor hem zoveel mogelijk een idealistische vorm werd gehanteerd door de beeldkunstenaars, wilde Echnaton een zo realistisch beeld hebben. Het is dan ook dat de beelden die in die tijd vervaardigd werden beschouwd kunnen worden als de meest realistische van de gehele Egyptische geschiedenis.

Hatsjepsoet:

Koningin Hatsjepsoet manifesteerde tijdens haar regeringsperiode hoofdzakelijk de mannelijke aspecten van haar persoonlijkheid. Na de korte regeringstijd van haar echtgenoot Thoetmosis II verdrong ze de onmondige Thoetmosis III van de troon en liet zich tot staatshoofd uitroepen. Er bestaan hier overigens nogal wat tegenstrijdigheden over. Er zijn ook verhalen dat Toetmosis III samen regeerde met Hatsjepsoet maar omdat zijn grote liefde bij het leger lag, schonk hij er in de vroege dagen van zijn regentschap weinig tijd aan. Dat zou Hatsjepsoet de vrijheid hebben gegeven om langzaam over te gaan tot het alleenheerschap. Ze vertoonde zich voortaan als man in mannenkleding en liet zich ook als zodanig aanspreken. Haar rebelse hervormingsdenken leverde haar snel veel vijanden op, maar ook bewonderaars. Vooral haar ideeën over staatsleiding doen ook tegenwoordig nog heel modern aan. Haar karakter wordt als zeer besluitvaardig, machtswellustig en onverzettelijk beschreven als het ging om het doorvoeren van hervormingen. Het logische intellect en de religieuze gestrengheid lieten haar wezen geen ruimte over voor vrouwelijkheid of fijngevoeligheid. Desondanks lukte het de charismatische koningin trouwe volgelingen om zich heen te verzamelen.

Na de vermoedelijke gewelddadige dood van Hatsjepsoet nam Thoetmosis III, die overigens het kind van een bijvrouw van zijn vader was, de macht weer over. Om zijn positie te legitimeren vernietigde hij de beelden van de koningin en liet de meeste afbeeldingen van haar uit monumenten verwijderen. In de officiële overzichten van de dynastieën werd de naam Hatsjepsoet niet meer vermeld omdat ze als onrechtmatig heerseres werd beschouwd.

Toetanchamon:

Toen op 4 november 1922 de arbeiders van de Engelse opgraver Howard Carter op de eerste treden naar de ingang van het grafcomplex van Toetanchamon stootten, konden zij niet weten dat zij de grootste sensatie in de geschiedenis van de archeologie teweeg zouden brengen. De ontdekking was echter geen toeval maar het resultaat van lang zoeken. Al in 1914 had Lord Carnarvon, die de onderneming financierde, de werkzaamheden in het Dal der Koningen overgenomen, maar pas in 1917 begonnen de eigenlijke opgravingen. Na jaren van mislukkingen en vanwege de aanzienlijke kosten wilde Carnarvon zijn betrokkenheid in het dal al in 1921 beëindigen, maar hij was zo onder de indruk van het aanbod van Carter, die hij een nieuwe mislukking de volgende campagne uit eigen zak wilde betalen, dat hij toestemming gaf tot een laatste poging. Want Carter bezat inderdaad voldoende aanwijzingen voor het bestaan van het graf van Toetanchamon, een tot dan toe in het duister gehulde heerser uit de 18e dynastie. Dat uitgerekend dit complex als enig koningsgraf van het Nieuwe Rijk met een haast volledige inrichting de oude grafrovers was ontgaan, is aan een gelukkige omstandigheid te danken. Bij de aanleg van het direct boven Toetanchamon liggende graf van Ramses VI (20e dynastie) was de ingang van Toetanchamons graf definitief onder dikke lagen puin verdwenen en op die manier ook veilig voor plunderingen. Ook Carter had eerst op deze plaats zijn opgravingen beëindigd, om het bezoek van toeristen aan het van Ramses VI niet te hinderen.

Bij de onverwacht vroege dood van Toetanchamon was, nadat hij nauwelijks tien jaar had geregeerd, nog geen koninklijk graf voor hem gereed. Daarom vond de begrafenis plaats in een vrij ondiep, klein complex. Via een korte trap bij de ingang komt men in de corridor, die in de voorkamer eindigt en oorspronkelijk volledig met puin was gevuld. Toen Carter en Carnarvon hier voor de nog dichtgemetselde doorgang stonden, konden zij de spanning amper verdragen.

Eerst verwijderde Carter voorzichtig enkele stenen en scheen hij met een kaars in de zo ontstane opening. Op de vraag van Lord Carnarvon of hij iets kon zien, antwoordde Carter met de legendarische woorden: "Ja, prachtige dingen". In het verdere verloop van de opgravingen, waarbij hij op ondersteuning van de wetenschappelijke staf van het Metropolitan Museum of Art in New York kon rekenen, bracht hij bijna 5000 objecten van bijna adembenemende, nooit eerder gezien schoonheid aan het licht. Waaronder de wereldberoemde schrijnen en sarcofagen, het gouden masker van Toetanchamon, diens troon en prachtige juwelen. Er was toch een teleurstelling bij Carter. Hij vond namelijk geen geschriften op papyrus. Toch moest hij vaststellen dat grafrovers minstens 2 keer het graf bezocht hadden. Ze hadden kostbare oliën voor zalving en sieraden meegenomen uit het graf. Ze zijn waarschijnlijk gestoord, , dat verklaart de enorme rotzooi die zij achtergelaten hadden. Vooral de kleinoden werden kriskras door elkaar in kisten geworpen. De geplande wetenschappelijke bewerking van de vondst werd Carter niet gegund. Hij stierf in 1939 in alle eenzaamheid, maar niet aan de 'vloek van de farao'. Het onderzoek van de grafschat is nog steeds gaande. Nog vele vragen over details wachten op opheldering. De glans van het goud mag niet verdoezelen dat de betekenis van de vondst zijn omrekeningen van de hoeveelheden goud naar de grafinrichting van een andere heerser uit het Nieuwe Rijk die duidelijk langer dan Toetanchamon hebben geregeerd.

Amenhotep 2:

Amenhotep II lijkt een atletische jongeman te zijn geweest. Verscheidene afbeeldingen van de koning tonen hem als uitblinker in verscheidene sporten; daarnaast streefde hij naar een vergelijkbaar goede reputatie op militair gebied. Al vroeg in zijn bewind kreeg hij de kans hiertoe, toen de Aziatische steden in opstand kwamen na het overlijdensbericht van Thoetmosis III. Amenhotep II haastte zich de rebellen te bewijzen dat er met hem niet te spotten viel.

Snel rukte hij in April van Jaar 2 met zijn leger op over land (vermoedelijk waren de Middellandse-Zeehavens eveneens in opstand) en viel hij Noord-Palestina binnen, waarna hij al vechtend de Orontes overstak om Syrië binnen te trekken. Hij onderwierp alles wat op zijn weg kwam. Eén stad, Niya, had onder Thoetmosis III haar lesje geleerd, en verwelkomde diens zoon met open armen. Het Tichsi-gebied lijkt de brandhaard van de problemen te zijn geweest en Amenhotep II nam daar zeven prinsen gevangen. In de lente keerde hij samen met hen terug naar de tempel van zijn machtige god Amon te Karnak. Ook had hij een rijke buit bij zich, die voornamelijk de schatkamers van Amon spekte.

Vervolgens richtte de koning zich op Nubië. In Jaar 3 trok hij zuidwaarts en voltooide de door zijn vader te Aswan begonnen tempelbouw op Elephantine en te Amada. Van stèles die de koning in beide tempels achterliet, vernemen we het lot van de zeven gevangen genomen prinsen: de koning offerde hen op de beproefde wijze alle zeven aan Amon door hen met zijn knots het hoofd in te slaan en vervolgens ondersteboven aan de boeg van zijn schip te hangen. Zes van hen werden daarop aan de buitenmuur van de tempel van Thebe gehangen, terwijl de zevende naar het zuiden, naar Nubië werd gebracht, om daar aan de muren van Napata gehangen te worden, 'opdat de glorierijke macht van Zijne Majesteit voor eeuwig en altijd gezien zou worden'.

In Jaar 9 rukte de koning opnieuw op naar Palestina, maar slecht tot aan het Meer van Galilea. Hierna lijkt hij voldaan te zijn geweest en de rest van zijn 34-jarige bewind heerste er vrede.

Amenhotep II werd te ruste gelegd in de Vallei van de Koningen in KV 35. De rust was echter van korte duur want zijn graf werd nog voor het einde van de 20ste Dynastie geplunderd. Toen Victor Loret het in 1898 binnenging, trof hij de gebruikelijke puinhoop aan. Maar de koning las nog steeds in zijn sarcofaag, gedeeltelijk in nieuwe windsels gewikkeld die priesters na de schending hadden aangebracht. Uit afdrukken in de hars bleek wat voor juwelen er destijds op het lichaam hadden gelegen.

Amenhotep was niet de enige mummie die Loret aantrof in KV 35. In de oudheid hadden de priesters dit graf gebruikt als opslagplaats voor vele andere koninklijke mummies uit het Dal der Koningen.

Thoetmosis 4:

Er kan enige twijfel hebben bestaan over de legitimiteit van Thoetmosis IV's troonsbestijging, aangezien een lange inscriptie op de grote stèle tussen de poten van de Sfinx van Giza sterk naar propaganda voor de nieuwe koning riekt. Deze zogenaamde 'Droomstèle' vertelt hoe de jonge prins Thoetmosis op jacht was in de woestijn toen hij in de schaduw van de Sfinx in slaap viel. Re-Herachte, de zonnegod die door de Sfinx belichaamd werd, verscheen hem in een droom en beloofde dat wanneer het zand dat het grote kalkstenen lichaam opslokte weggehaald was, hij koning zou worden. Uiteraard werd het zand onmiddellijk opgeruimd en de prins werd de vierde koning met de naam Thoetmosis.

Hij lijkt nauwelijks enige militaire aanleg te hebben gehad, maar onze kennis kan vertroebeld zijn door een gebrek aan teksten. In het Jaar 8 is er sprake van een Nubische veldtocht die, natuurlijk, uitermate succesvol was. Ook schijnen er veldtochten in Syrië te hebben plaatsgevonden, aangezien de koning tweemaal 'veroveraar van Syrië' wordt genoemd. Maar dit zullen eerder bescheiden inspectietochten zijn geweest dan grootscheepse aanvallen.

Uit de regeringsperiode van Thoetmosis IV stammen enkele van de meest bekende versierde privé- graven in de Thebaanse necropolis. Thoetmosis' eigen, eertijds geplunderde graf in de Koningsvallei (KV 43) werd in 1903 ontdekt door Howard Carter. Men vond er een grote hoeveelheid beschadigde en vernietigde grafgiften, oesjabti's, voedselvoorraden en een strijdwagen. De plundering lijkt te hebben plaatsgevonden vóór Jaar 8 van Horemheb, wanneer twee graffiti de restauratie melden van het graf door de functionaris Maya en zijn assistent Djehoetymose. De mummie van de koning was echter niet aanwezig in de schitterend versierde granieten sarcofaag: die was vijf jaar eerder gevonden en behoorde tot de verborgen mummies in het graf van Amenhotep II.