INLEIDING
De tropische
regenwouden bestaan al miljoenen jaren. In die jaren hebben de
dieren, bomen en planten zich ontwikkeld tot wat ze nu zijn.
In de 16e tot 18e eeuw gaan voor het eerst mensen uit Europa in
de tropische regenwouden wonen. Ze beginnen met het kappen van de
bomen, omdat ze het hout willen gebruiken. Ze leggen plantages
aan voor koffie, chocola, thee en bananen. Ze bouwen mijnen om
goud, zilver en kwik uit de grond te halen.
Tropische
regenwouden zijn onmisbaar. De regenwouden zijn superbelangrijk
voor het klimaat op aarde. Het is een ingewikkeld verhaal, maar
we zullen proberen het uit te leggen:
In de lucht zweeft een ongezond gas: kooldioxide. Dat komt in de
lucht terecht als olie, aardgas of hout wordt verbrand. Voor de
bomen in het regenwoud is kooldioxide niet slecht. Ze halen het
uit de lucht en geven zuurstof terug! En zuurstof hebben wij
nodig om te ademen. Zonder bomen gaat het dus niet lang goed!
En toch blijven de mensen bomen kappen in het regenwoud. Bomen
voor meubelhout. Bomen voor brandhout. We verbranden steeds meer
olie en hout en zorgen dus voor steeds meer kooldioxide.
Tegelijkertijd kappen we de bomen die ons van het kooldioxide
afhelpen.
Maar er gaat nog meer fout als er te veel kooldioxide in de lucht
komt. Dat gas vormt een soort deken om de aarde. Het houdt warme
lucht tegen die opstijgt, daardoor koelt die lucht niet genoeg
af. Zo wordt de aarde steeds warmer. Dat lijkt misschien fijn
voor ons koude landje, maar voor de hele aarde is het een ramp.
Doordat de aarde warmer wordt, gaan sneeuw en ijs smelten, in de
bergen en op de Noord- en Zuidpool. Daardoor komt er meer steeds
meer water in de oceanen en ontstaan overstromingen.
Tegelijkertijd raken we steeds meer zoetwater-reserve kwijt, want
het zoete water van ijs en sneeuw wordt zout in de oceaan.
En dit alles heet het broeikaseffect. Het tropische regenwoud
beschermt de aarde tegen dat broeikaseffect.