Zomerspelen

 

Je hebt twee soorten Olympische Spelen. De eerste soort is de zomerspelen. De eerste zomerspelen werden gehouden in Athene in 1896. Er waren toen 9 sporten en er deden alleen maar mannen mee uit 13 verschillende landen. De laatste zomerspelen werden gehouden in Sydney in 2000. Toen waren er 28 sporten er deden 6582 mannen en 4069 vrouwen uit 199 verschillende landen mee.

 

De sporten die nu bij de Olympische Spelen horen zijn:

1-Atletiek: een sport waartoe hardlopen, springen, speer- en discuswerpen, kogelstoten en kogelslingeren behoren, dit wordt in een groot stadion gehouden.

2-Badminton: balspel met rackets en een pluimbal, waarbij je over een net moet slaan en als de bal op de rond komt heb je een punt.

3-Basketbal: uit Amerika afkomstig balspel waarbij gescoord wordt als de bal door een ring valt die op ± drie m hoogte aan een bord is bevestigd.

4-Beachvolleybal: balspel voor twee ploegen van zes spelers, waarbij de bal met de handen over een net wordt gespeeld, op het strand of in een zandbak.

5-Boksen: met de vuist vechten, als sport, met grote handschoenen aan.

6-Boogschieten: schieten met een boog met pijlen in een bord, waarbij het middelpunt moet worden geraakt.

7-Gewichtheffen: zware gewichten optillen waarbij het hele gewicht enkele seconden helemaal boven hun hoofd moeten houden.

8-Gymnastiek: Bij de mannen staan het volgende op het programma : de rekstok, de brug met gelijke leggers, het paard, de vloeroefening, de ringen, en het paardspringen. Het programma van de vrouwen verschilt iets van dat van hun mannelijk collegas. Zij mogen hun kunsten tonen op: de balk, de vloeroefening, de brug met ongelijke leggers, en het paardspringen. De vrouwen worden bij hun oefeningen begeleid door muziek, wat vooral bij het rythmisch turnen, waarbij de turnsters hoepels, allen en linten zo sierlijk mogelijk door de luchtzweven.

9-Handbal: balspel waarbij de bal in het doel van de tegenpartij gegooid moet worden.

10-Hockey: sport waarbij twee elftallen met hockeysticks een kleine harde bal in het doel van de tegenpartij moeten slaan.

11-Honkbal: slagbalspel in de open lucht, gespeeld door twee negentallen die beurtelings aan slag of in het veld zijn.

12-Judo: als wedstrijdsport beoefend systeem van zelfverdediging, ontwikkeld uit jioe-jitsoe.

13-Kano-Kayak: De atleten moeten daarbij zo snel mogelijk door een reeks poortjes varen, elk gemist poortje levert een aantal strafseconden op. Maar wat is nu precies het verschil tussen de kano en de kayak ? De kano is een open bootje, waarmee de roeier zich knielend en daarbij gebruik makend van een roeispaan voorzien van één paddel voortbeweegt. De kayak daarentegen omsluit de roeier en wordt voortbewogen door een roeispaan met twee paddels.

14-Kunstzwemmen: al zwemmend bepaalde bewegingen of figuren uitvoeren.

15-Moderne vijfkamp: zwemmen, lopen, jumping, schermen en schieten. In veertig seconden tijd moeten de atleten 20 schoten lossen naar een doelwit op tien meter afstand. Dan wordt er geschermd volgens rechtstreekse uitschakeling. Even later springen de atleten in het bad voor 200 meter vrije stijl. Vervolgens volgt de jumping, en dat met een paard dat de atleten niet kennen. Paard en ruiter krijgen wel 20 minuten tijd om elkaar te leren kennen. Wie bij het laatste onderdeel, de 3000 meter hardlopen, eerst aankomt, wint de vijfkamp. De atleten vertrekken dan ook in een volgorde die overstemt met hun prestaties tijdens de vorige vier onderdelen.

16-Paardrijden: rijden te paard.

17-Roeien: de atleten moeten zo snel mogelijk in een boot een bepaalde (rechte) afstand roeien. Het roeien is door middel van paddels een trekkende beweging maken zodat het water wordt weggeduwd en de boot vooruit gaat. Dit wordt gedaan in tweetallen, viertallen en achttallen. Alle boten liggen naast elkaar in het water.

18-Schermen: volgens bepaalde regels een oefengevecht houden met een degen of ander blank wapen of met een stok.

19-Schieten: schoten uit vuurwapens lossen.

20-Schoonspringen: fraaie sprongen maken van een duikplank.

21-Softbal: een uit honkbal ontstaan balspel, dat met een zachte bal gespeeld wordt.

22-Taekwondo: Koreaanse vechtsport.

23-Tafeltennis: tennisspel dat gespeeld wordt met batjes en kleine, lichte balletjes op een speciale tafel.

24-Tennis: spel waarbij men met een racket een bal over een net naar het vak van de tegenstander speelt.

25-Triathlon: wedstrijd die bestaat uit 3,8 km zwemmen, 180 km fietsen en de marathon.

26-Voetbal: balspel voor twee ploegen van elf spelers waarbij de bal met de voeten wordt gespeeld.

27-Volleybal: Een rally begint met de opslag: een speler slaat de bal van achter de eigen achterlijn over het net en in het vak van de tegenstander. Elk team mag de bal drie keer overspelen en dan moet de bal over het net. Raakt de bal de grond op de speelhelft van de tegenstander, dan scoor je een punt. De eerste vier sets worden gespeeld naar 25 punten, de eventuele vijfde en beslissende set slechts naar 15.

28-Waterpolo: Deze sport heeft veel weg van handbal. Ook bij waterpolo wordt de bal aan de rand van het doelgebied snel over en weer gegooid, om op die manier een open doelkans te verkrijgen. Er wordt vier keer over zeven minuten gespeeld, waarbij de spelers de grond niet mogen raken.

29-Wielrennen: hardrijden op de fiets.

30-Worstelen: vechten volgens bepaalde regels waarbij het doel is de tegenstander met zijn beide schouders op de grond te krijgen.

31-Zeilen: zich met behulp van een zeilboot over het water voortbewegen.

32-Zwemmen:zich door bepaalde geordende bewegingen in het water drijvend houden en voortbewegen.

Dit zijn er dus nu 32 sporten.

 

De Olympische Zomerspelen zijn er om de 4 jaar. In 2004 zijn ze in Athene (Griekenland) en in 2008 zijn ze in Peking (China).

 

opdrachten

pagina