De wind in de lucht...
De kracht van de wind is
nogal verschillend, denk maar eens aan een lekker verkoelend
briesje in de zomer of aan een geweldige stormwind bij tornado's
en orkanen. Lucht verplaatst zich in de vorm van wind. De lucht
verplaatst zich omdat sommige delen van de aarde meer door de zon
worden verwarmd dan andere delen. Lucht boven warme bodem krijgt
zelf ook een hogere temperatuur. De warme lucht zet uit (hier mee
wordt bedoeld dat dezelfde hoeveelheid lucht meer plaats gaat
innemen) en wordt dan ook lichter. Omdat de warme lucht lichter
is dan de andere lucht, stijgt deze lucht op. Denk maar eens aan
een heteluchtballon. De plaatst van de opgestegen lucht wordt
ingenomen door koele, zwaardere en dalende lucht. Zo ontstaat
wind. Windsnelheden zijn het laagst in de onderste 1000 meter van
de atmosfeer, waar de wind wordt afgeremd door het aardoppervlak.
De zee werkt eenderde vertragend, het vaste land zelfs tweederde.
De Beaufortschaal
De windkracht wordt gemeten volgens
de schaal van Beaufort. Windkracht 1 betekent een windsnelheid
van 1,5 tot 5 kilometer per uur. Windkracht 6 daarentegen
betekent een windssnelheid van 40 tot 50 kilometer per uur.
Kracht 12 geeft aan dat er windsnelheden zijn van 120 kilometer
per uur of zelfs nog meer. In orkanen komen namelijk
windsnelheden van meer dan 300 kilometer per uur voor. Een
tornado zou met een kracht van 30 moeten worden uitgedrukt.
Enkele voorbeelden:
Windkracht 2, een licht briesje, je voelt de wind in je
gezicht.
Windkracht 3, dit is een matig briesje, bladeren van de bomen
gaan bewegen.
Windkracht 5, vrij krachtige wind, kleine bomen zwaaien heen en
weer.
Windkracht 7, er is een harde wind, hele bomen zwaaien heen en
weer.
Windkracht 9, er is nu storm, de takken breken van de bomen.
Windkracht 10, zware stormbomen waaien om.
Windkracht 12, dit is een zeer zware storm, het veroorzaakt veel
schade.

Hoge en
lage drukgebieden.
Wat is nu een luchtdruk? Nou,
eigenlijk is dat heel makkelijk uit te leggen want het is
namelijk gewoon het gewicht van de lucht boven de grond die een
kracht veroorzaakt die op het oppervlak van de aarde drukt. Op
plaatsen waar de lucht opstijgt, is de druk op de aarde vrij
laag. Er ontstaat daar dan een lagedrukgebied. Waar de lucht naar
de grond zakt, daar ontstaat juist een hogedrukgebied. Hoe hoger
de verschillen in luchtdruk zijn hoe harder het gaat waaien. In
gebieden met een heel lage druk, dit wordt ook wel een depressie
genoemd, ontstaan sterke winden. De opstijgende lucht in
lagedrukgebieden leidt vaak tot de vorming van wolken en dus ook
van regen. Nou, en in de hogedrukgebieden zakt de lucht juist
naar beneden: daarom zijn er heldere luchten, want de lucht kan
niet opstijgen om wolken te gaan vormen. Hoe hoger de luchtdruk,
hoe droger en helderder het weer zal zijn. Als een hogedrukgebied
een hele lange tijd boven een bepaalde plek blijft hangen, levert
dit in de winter meestal vrij koud weer op en in de zomer lekker
warm en zonnig weer. Dus van de zomer hopen op een hoge
luchtdruk!