Onderwijs wereldwijd.

 

Volgens veel mensen zouden alle kinderen tot 15 of 16 jaar naar school moeten gaan. Maar in veel arme landen zijn er te weinig scholen en is er een tekort aan lesmateriaal. Als het er wel is, dan is het meestal verouderd. Veel gezinnen zijn zo arm dat de kinderen ook moeten werken om voldoende geld te hebben voor de dagelijkse levensbehoeften.

 

Ieder land heeft wel een wet waarin staat dat kinderen naar school moeten. Toch gaan er miljoenen kinderen niet naar school. Vaak zijn er te weinig scholen of liggen de scholen te ver weg. Soms zitten er wel 100 kinderen in een klas. De kinderen leren hierdoor niet erg veel en blijven dan maar weg. Veel kinderen blijven thuis, omdat hun ouders de school

 niet kunnen betalen. Veel kinderen in            

 ontwikkelingslanden moeten gaan werken

om een deel van het gezinsinkomen te verdienen.

 

Zonder dit geld zouden hele families geld tekort komen en honger lijden. Maar er zijn ook kinderen die juist moeten werken om hun schoolopleiding te kunnen betalen. Vaak is school en werk moeilijk te combineren. De schooltijden sluiten niet op de werktijden aan.

 

Nederlandse school in Kerkrade.

 

Op het platteland gaan kinderen tijdens de oogst niet naar school. Dan moeten ze hun ouders helpen.

Al deze toestanden zorgen ervoor dat 130 miljoen kinderen tussen 6 en 11 jaar niet naar school gaan. Zij kunnen niet lezen en schrijven en houden daardoor hun hele leven een achterstand.

Als ze op hun 15e jaar nog niet kunnen lezen en schrijven vallen ze onder de definitie van analfabeten: alle personen van 15 jaar en ouder, die niet in staat zijn om korte, eenvoudige tekst over het dagelijks leven met begrip te lezen en schrijven. In de Derde Wereld gaat het niet kunnen lezen en schrijven vaak samen met armoede, honger, ziekte of vereenzaming.

 

Onderwijs en ontwikkelingshulp.

Nederland is een van de landen die onderwijsprojecten in de Derde Wereld steunt. Van het geld dat Nederland geeft, worden onderwijzers opgeleid en scholen gebouwd. Ook steunt Nederland scholen waar werkende kinderen bijvoorbeeld ’s avonds les krijgen. Ze leren er niet alleen lezen, schrijven en rekenen. De kinderen kunnen er ook een vak leren en ze komen meer te weren over hun rechten. Dit wil niet zeggen dat Nederland het zondermeer eens is met kinderarbeid. De Nederlandse regering is fel tegen slavernij, kinderprostitutie en gevaarlijk werk door kinderen.

Verder ondersteunt Nederland diverse ander-soortige projecten in de Derde Wereld. Ook onderwijs aan volwassenen, onderwijs buiten scholen en opleiding van leerkracht vallen bijvoorbeeld hieronder. De activiteiten van de programma’s zijn zeer uiteenlopend.

 

Wereldwijd krijgen steeds meer kinderen onderwijs. Tussen 1991 en 1996 steeg het aantal kinderen in het basisonderwijs in de ontwikkelingslanden met 50 miljoen naar 545 miljoen. Voor het eerst sinds jaren daalt het aantal kinderen dat in fabrieken of het platteland werken of op straat zwerft.

In de ontwikkelingslanden gaan in 1995 vier van de vijf kinderen van 6 tot 11 jaar naar school. Wel is het nog zo dat de kwaliteit van het onderwijs erg laag is, zodat de kinderen in feite te weinig leren. Vooral op het platteland gaan weinig kinderen naar school.

 

Onderwijs in de derde wereld.

Zoals je in het eerste deel hebt kunnen lezen zijn er in ouders in de Derde Wereld die zo arm zijn, dat ze hun kinderen niet naar school kunnen laten gaan. Ook de afstand tot de school is vaak een probleem. Er zijn geen goede wegen, er is geen openbaar vervoer en geld voor een fiets is er al helemaal niet. Het komt erop neer dat kinderen soms meer dan een uur moeten lopen door een gevaarlijk gebied: langs gevaarlijke kloven en door eenzame oerwouden.

Bovendien zijn er te weinig scholen om alle kinderen een kans te geven. En als die scholen er zijn, zien ze er heel anders uit dan die in de rijke landen. In de klassen zitten soms wel 100 kinderen. De scholen in arme landen hebben te weinig boeken en geen of te weinig schoolmeubilair. Vaak moet een aantal kinderen tegelijk een oud versleten boek gebruiken.

In de Derde Wereld moeten de kinderen vaak naar school en werken. Het geld dat ze verdienen mogen ze niet zelf besteden aan speelgoed of andere leuke dingen. Ze moeten het afgeven aan hun ouders die er eten voor kopen. In de rijke landen kan men kiezen uit veel soorten vervolgonderwijs. In de Derde Wereld is er bijna geen keuzemogelijkheid. En als er vervolg- of beroepsopleidingen zijn dan kunnen alleen kinderen van rijke ouders deze volgen.

 

 

 

Indonesie.

Op veel plaatsen in Indonsie heerst nog een grote armoede. De afstand van huis naar school is zo groot dat kinderen lange tijd moeten lopen. Het openbaar vervoer is meestal te duur en veel kinderen hebben geen fiets. De kinderen dienen netjes en in schooluniform op school te verschijnen.

De bedoeling hiervan is te laten zien dat er ‘geen’ verschillen bestaan tussen kinderen van rijke en arme ouders. Alle kinderen behoren er hetzelfde uit te zien. Maar in de praktijk zie je toch duidelijke verschillen.

Veel kinderen zitten maar enkele jaren op de basisschool. Ze hebben dan alleen maar enkele eenvoudige woorden leren lezen en schrijven. Een gedeelte van hen is van school gestuurd omdat ze meer dan twee keer zijn blijven zitten. Oorzaak hiervan is dat het onderwijs voor veel kinderen uit plattelandsgebieden niet aansluit bij hun dagelijks leven. Andere kinderen worden door hun ouders van school gehaald om mee te werken op het land of in het huishouden.

In Indonesie is een groot te kort aan lesboeken. De regering streeft ernaar dat per vier leerlingen een lesboek beschikbaar is. In de armere gebieden is men nog ver van dit streven af; er is slechts een lesboek op de acht tot twaal leerlingen. Vooral op het plattteland is er een groot tekort aan leraren.

 

Onderwijs in Bangladesh.

Bangladesh kent een leerplicht tot 11 jaar, hoewel daar lang niet altijd rekening mee wordt gehouden.

Kinderen zijn niet verplicht middelbaar onderwijs te volgen, maar volgens de wet mogen ze pas werken als ze 15 jaar zijn. De helft van de kinderen in Bangladesh gaat niet naar school. De meeste kinderen wonen op het platteland en daar zijn bijna geen overheidsscholen. Als die er wel zijn, kunnen de mensen hun kinderen vaak toch niet naar school sturen omdat er geen geld is.

 

Brac

Brac wil daar verandering in brengen. Brac is een organisatie die opgericht is om de arme mensen op het platteland te helpen om een beter bestaan op te bouwen. Sinds enkele jaren is Brac ook met projecten in steden begonnen. Kinderen van arme gezinnen op het platteland krijgen op de staatsscholen maar twee uur les per dag. Maar daarnaast moeten ze hard werken. Overdag moeten de meeste kinderen namelijk hun ouders helpen op het land of in huis. Zeker in de zaai-of oogsttijd moet iedereen meehelpen, anders komt het werk niet op tijd af. De kippen en het vee moeten verzorgd worden en er moet iemand op de jongste kinderen passen als vader en moeder allebei werken.

 

Basisonderwijs in Ghana.

Ghana is een land in West-Afrika, aan de golf van Guinee. Het land is 7 keer zo groot als Nederland en het telt ruim 14 miljoen inwoners. De voertaal is Engels, maar in totaal worden er in Ghana meer dan 70 talen gesproken. In 1990 gingen 78 procent van de jongens en 63 procent van de meisje naar school. In 1990 is begonnen met het vernieuwen van het onderwijs. In dit onderwijs wordt meer rekening gehouden met de situatie van leerlingen.

Ze leren niet alleen lezen en schrijven, maar ook zaken die ze in het dagelijks leven nodig hebben: over gezondheid, hygiëne, voedsel en veilig water. Deze kennis hebben ze nodig om te kunnen overleven.