Inleiding

Lang voordat de blanke mensen naar Noord-Amerika kwamen leefden de indianen al op de Prairie. Waarschijnlijk zijn de voorouders van de Indianen ongeveer 20.000 jaar geleden vanuit Azië gekomen en hebben ze zich over heel Amerika verspreid gevestigd. De Indianenstammen die de Prairie bewoonden spraken verschillende talen en hadden verschillende tradities, maar ze hadden alle eenzelfde manier van leven, die was aangepast aan de omgeving waar ze woonden. Deze indianen worden vanwege de leefomgeving ook wel Prairie-indianen genoemd.

De prairie was een grote vlakte grasland, van ongeveer 2 miljoen km2, met valleien, heuvels, rivieren en maar weinig bomen. De grenzen van de prairie waren de Saskatchewan Rivier in het noorden, de Rio Grande in het zuiden, de Mississippi in het oosten en de Rocky Mountains in het westen. De zomers op de prairie waren erg heet en de winters heel koud.

Er leefden vele wilde dieren op de prairie. Op verschillende daarvan werd door de indianen gejaagd, voor voedsel en vanwege de huiden. De Indianen moesten zich voor wat betreft voedsel en onderdak aan hun omgeving aanpassen om te kunnen overleven. Vee van hun beschaving, kunst en geloof was gevormd door hun omgeving.

Op de prairie leefden ongeveer 20 verschillende stammen. Elke stam had tussen de 4.000 en 15.000 leden. Sommige stammen leefden min of meer op een vaste plek, ze woonden in dorpjes langs de rivieren, bijvoorbeeld langs de Missouri. Andere stammen waren nomaden, ze trokken rond zonder vaste woonplaats. Ze trokken dwars over de prairie, woonden in tipi’s en achtervolgden de uitgebreide bizonkuddes waar ze op jaagden. Rond 1650 kwamen met de Spaanse kolonisten de paarden in de zuidelijke gebieden, waardoor het reizen en jagen makkelijker en sneller ging voor de Indianen.

De Prairie-indianen hebben een opvallend en herkenbaar uiterlijk. Ze hebben een snavelachtige neus, hoge jukbeenderen en een sterk gebit. De meeste indianen waren slank gebouwd en vaak meer dan 1.80 m lang. De vrouwen waren iets kleiner. Mannen en vrouwen hadden kleine handen en voeten, een gebronsde (warm bruine kleur) huid en bruine ogen. Ze droegen hun dunne zwarte haar in vlechten.De mannen hadden maar weinig gezichts-en lichaamsbeharing, en als ze het wel hadden trokken ze het haar uit. Zo hielden ze een gladde huid.

 

Veren zijn voor bijna alle indianen erg belangrijk. Iedere groep indianen draagt de veren anders in het haar en voor iedere stam betekenen de veren iets anders. Het soort veren dat op de tooi gaat, wordt beslist door de vogels die in het gebied van de indianenstam leven.

 

In verhalen worden indianan vaak als wreed en slecht beschreven. Dit komt doordat de indianen de blanken hebben opgehouden toen deze Amerika wilden veroveren. In deze strijd hebben de indianen zich met hand en tand verzet. Eigenlijk kun je dat dus niet slecht vinden. Want het waren de kolonisten (de blanken die in Amerika kwamen wonen) die slecht waren.

Er wordt ook vaak verteld dat indianen altijd in harmonie leven met de natuur. Maar dat is niet altijd waar, de indianen hebben namelijk ook veel natuur verwoest. Maar het is wel zo dat er veel stammen zijn waarvan de indianen na het doden van een dier, het dier om vergeving te vragen.