In Noord-Europa
Het grote gebied in Noord-Europa wordt Scandinavië genoemd. Het bestaat uit Noorwegen, Zweden, Finland, Denemarken en IJsland. Door de noordelijke gebieden loopt de poolcirkel.
|
|
|
De landen van
Scandinavië zijn voor het grootste gedeelte bedekt met bossen.
Veel huizen zijn van hout en in felle kleuren geverfd. |
Noorwegen, Denemarken en Zweden hebben koningen of koninginnen: het zijn koninkrijken. |
Stockholm
is de hoofdstad van Zweden. |
De kleine zeemeermin, de heldin van de Deense schrijver Andersen, bewaakt de toegang tot Kopenhagen, de hoofdstad van Denemarken. |
|
|
|
| De Scandinavische landen zijn omgeven door zee. In Noorwegen komt de zee landinwaarts tussen de bergen en vormt de fjorden. | In de winter zijn de nachten in Scandinavië heel lang. Op 13 december wordt Sint-Lucia gevierd, het feest van het licht. |
|
|
|
| De sauna is uitgevonden in Finland. Het is een gloeiend heet stoombad. Na de sauna zwem je in ijskoud water. | De speelgoedblokken Lego komen uit Denemarken. Legoland is een attractiepark dat helemaal van legostenen is gebouwd. |
|
|
|
| IJsland is een groot eiland dat net ten zuiden van de noordpoolcirkel ligt. Reykjavik is de hoofdstad. | IJsland is een land van vulkanen. Er zijn ook een heleboel geisers, bronnen die warm water uit de aarde spuiten. |