Wie waren de vikingen?

De Vikingen zijn afkomstig uit Scandinavië. Dit was vroeger een vrij woest land, sommige delen waren zelfs onbewoonbaar.
Om precies te zijn leefden de Vikingen hier van 800 tot 1100. 
De Vikingen waren vooral boeren en landbouwers.
Het land waar ze woonden, was echter niet geschikt om te bewerken.
Noorwegen was namelijk heel heuvelachtig, Zweden was helemaal bebost en in Denemarken was veel zandgrond en heide. Kortom: daar konden de Vikingen niet zo veel mee beginnen en toen de bevolking ook nog eens toenam, was er niet genoeg land voor iedereen. Daarom gingen sommige Vikingen tegen het einde van de 8ste eeuw op zoek naar andere manieren om aan voedsel te komen. Ze trokken erop uit naar andere landen en
hier plunderden ze vooral kerken en kloosters en namen mensen gevangen die ze als slaaf gebruikten of verkochten. Later gingen ze ook in bepaalde gebieden wonen.
De Vikingen maakten bijna alles van hout, omdat hun land heel erg bosrijk was:

Het woord Viking betekent 'piraat' in de taal van de oude Noren. Hierdoor, en door allerlei wilde verhalen over de Vikingen dachten de mensen vroeger (en nu nog steeds wel eens), dat Vikingen woeste zeerovers waren. Maar dat is niet helemaal waar.  
Vikingen waren namelijk ook ontdekkingsreizigers, kolonisten, ambachtslieden, handelaars, scheepsbouwers en natuurlijk ook rovers en plunderaars. Ze hadden eerlijke wetten en hadden e
en gekozen bestuur.

 

Wat deden de Vikingen zoal?

De meeste Vikingen brachten een groot deel van hun tijd werkend op het land door. Ze verbouwden genoeg voedsel (granen, groente en fruit) om zichzelf en hun gezinnen van eten te kunnen voorzien.
Veel Vikingen hielden ook vee (koeien, schapen, geiten, varkens en kippen).
Voor boeren die dichtbij fjorden en rivieren woonden was ook vissen belangrijk. De vissen konden ook langere tijd bewaard worden door ze te roken, te drogen of te zouten.
In de winter gingen de Vikingmannen er niet op uit. Dan waren ze thuis, en gebruikten ze de spullen die ze de vorige zomer hadden geplunderd of verhandeld.
Als de Vikingen thuis waren dan maakten ze vaak boten. Dat konden ze erg goed! 
Ze gingen ook in de wintertijd op 'pelsjacht'. Die pelzen konden ze goed gebruiken tegen de kou. Maar ook namen ze pelzen mee op hun handelsreizen naar andere streken, om deze te verhandelen voor andere goederen of voedsel.