Het geloof

 

Een klein gedeelte van de Middeleeuwse bevolking werkte voor de kerk. Er was in Europa in de middeleeuwen maar een kerk, de Katholieke kerk. Van de 100 mensen in een dorp werkten er ongeveer 8 voor de kerk.

Godsdienst en de kerk waren in de middeleeuwen zeer belangrijk. Iedereen ging dagelijks naar de kerk. Het woord "kerk" komt van het Latijnse woord "clericus" (geestelijke)

Allerlei voor die tijd onverklaarbare dingen werden toegeschreven aan God. Werd je ziek, dan was dat een straf van God. Was er hongersnood, dan was dat een teken van God. De priester werd gezien als een belangrijk persoon. Je moest doen wat de priester zei. Want je moest proberen om in de hemel te komen.

Het was ook goed om op bedevaart te gaan. Dit is een verre reis naar een plaats waar een heilige geleefd had of gezien was. Zo'n verre reis werd een bedevaart of een pelgrimstocht genoemd. Pelgrims zijn dus rondtrekkende gelovige mensen op weg naar een heilige plaats. Kwam men eenmaal aan in die stad, dan werd er gebeden. De kerk deed vroeger heel andere dingen dan de kerken van nu.

 

Bidden.
Er werd veel gebeden tot God. In de huidige kerken is dit nog steeds het geval. De mensen vroeger de monniken dan ook vaak om voor hen te bidden.

Lezen en schrijven

Mensen die voor de kerk werkten, waren vaak de enigen die konden lezen en schrijven. Men schreef en las het Latijn, de taal van de Romeinen. Rijke kinderen konden ook leren lezen en schrijven in de kerk. Kinderen kregen les van monniken. Je ziet dat er maar weinig kinderen zijn die leerden lezen en schrijven. Eigenlijk was de kerk vroeger ook een school.

 

 

Boeken overschrijven

In de middeleeuwen wist men nog niet hoe men boeken moest drukken. Daarom moest ieder boek met de hand worden overgeschreven. Het overschrijven van een dik boek kostte soms wel meerdere jaren werk. Vandaar dat wij in onze taal nog de uitdrukking kennen dat iets "monnikenwerk"is. (Daarmee bedoelen we dat het veel en zwaar werk is).
Als een boek eenmaal af was, was zo'n boek veel waard. Daarom werden de boeken met een ketting vastgezet tegen diefstal.

 

Hier zie je hoe zo'n boek eruit ziet. Als een monnik een foutje maakte, kon hij de hele bladzijde verscheuren! Pas als alle bladzijden af waren, werd het boek ingebonden.

De beginletter van iedere bladzijde werd vaak mooi versierd.

 

Kerk; het centrum van de kennis

Omdat de mensen van de kerk de enigen waren die konden lezen en schrijven, was de kerk ook het centrum van kennis. In de late middeleeuwen werden steeds meer universiteiten opgericht. Alle boeken werden centraal in een soort bibliotheek gezet.
Bovendien bouwden de monniken met behulp van anderen ook zelf hun kerken en kathedralen.

 

 

Onderdak

De kerk gaf onderdak en eten aan mensen die geen eigen huis hadden, mensen die gevlucht waren, mensen die invalide waren.

 

Ziekenzorg

Mensen die ziek waren, konden verzorging krijgen bij de kerk. Nonnen en monniken maakten zelf hun geneeskrachtige kruiden om mensen beter te maken.

 

 

Monninken                                                                                                                            

Als je dit leest lijkt het net alsof het leuk is om Monnik of non te zijn, maar er waren ook minder leuke dingen. Monniken en nonnen mochten geen vlees eten en op sommige tijden mochten ze niet met elkaar praten. Nonnen en monniken moesten al hun bezittingen weggeven om in het klooster te kunnen wonen. Ze mochten niet trouwen en moesten leven volgens de strenge regels van de kerk. Monniken bouwden zelf hun klooster en hun kerk. Daarbij werden ze geholpen door de boeren.

 

Monniken leerden de boeren ook hoe ze het land beter konden bewerken. De monniken veranderden bossen in landbouwgrond. Zo hoor je bijvoorbeeld in de naam "Schiermonnikoog"dat deze plaats is gemaakt door "schiere" grijze monniken. In Groningen en Friesland hebben de monniken veel landbouwgrond gemaakt van wat eerst zee was. Andere monniken timmerden meubels of waren metselaar. Ook in de bakkerij en de bierbrouwerij werkten monniken.

 

 

Nonnen                                                                                                                              Vrouwen die werken voor de kerk worden nonnen genoemd. De nonnen hielden zich vooral bezig met het verzorgen van zieken en het bidden. Mensen die ziek waren lagen in het hospitium (ziekenzaal). Het was er altijd vol. Soms moesten 2 of 3 zieken met elkaar 1 bed delen! De nonnen en broeders gaven dan zelfgemaakte kruidendrankjes die de zieke weer beter moesten maken. Hierboven zie je 4 goede werken die nonnen deden: van links naar rechts:
invalide mensen helpen, kleding uitdelen, gevangenen bezoeken, zieke mensen helpen.