Telecommunicatie vroeger
Eeuwenlang waren seinen met rook en vuur, spiegels, vlaggen en seinpalen de enige middelen om berichten over te brengen. Het was niet echt betrouwbaar en werd maar weinig gebruikt.
Het duurde erg lang voordat een bericht was overgebracht. Er waren immers ook nog geen auto’s, treinen of vliegtuigen om brieven te versturen.
De uitvinding van de telegrafie was het begin van veel veranderingen.

Wie heeft de telefoon uitgevonden?
Alexander Graham Bell wordt gezien als de uitvinder van de telefoon.
Dat klopt niet helemaal. Verschillende uitvinders waren onafhankelijk van elkaar tegelijkertijd bezig met het ontwikkelen van de telefoon; elk had een eigen oplossing bedacht, maar meneer Bell was in 1876 de eerste die octrooi aanvroeg op zijn ontwerp.
Daarom staat hij nu bekend als de bedenker van de telefoon.
De eerste telefoons zagen er heel anders uit dan de telefoons van nu. Ze hadden niet echt een hoorn. Op het toestel zat een microfoon om in te praten. Erbij zat een los oorstuk als hoorn. Later werden de microfoon en het losse oorstuk samen een hoorn.
De eerste telefoons waren ook heel groot. Nu zijn er telefoons met snoer en zonder snoer (draadloze telefoons die gekoppeld zijn aan een vaste telefoonaansluiting) en mobiele telefoons, zelfs hele kleine. Je kunt er nu veel meer mee doen dan alleen bellen.




Bovengrondse lijnen
Tot het begin van deze eeuw was de bovengrondse lijn het middel om telefoon- en telegraafverbindingen tot stand te brengen.
De lijnen bestonden uit dikke metalen draden, gespannen tussen palen of (met dakstellingen) bevestigd aan huizen.
Door de dikke draden konden grote afstanden overbrugd worden en draadbreuken konden makkelijk opgespoord worden.
Maar die bovengrondse lijnen hadden ook nadelen. Ze waren erg gevoelig voor stormen en onweersbuien, en in de winter werden de draden door ijzelvorming soms zo zwaar, dat de palen knapten. Ook ontstond er gevaar voor elektrificatie.
Toen het aantal telefoonabonnees groeide kwamen er ook meer bovengrondse lijnen. Het werd een wirwar van kabels, en er ontstond ‘horizonvervuiling’.
Daarom ging men op zoek naar nieuwe middelen om de verbindingen tot stand te brengen. Zo werd de grondkabel ontwikkeld.
Geleidelijk aan werden alle bovengrondse lijnen vervangen door grondkabels; eerst in de steden en daarna op het platteland.



De telefooncel
Vroeger had lang niet iedereen thuis een telefoon, maar de telefoon werd wel steeds belangrijker.
Als je dan toch wilde bellen, kon je naar een openbare telefoon (in een spoorweg- of tramstation) of je maakte gebruik van de telefoon van een winkel of een café.
Later kwamen er ook openbare telefoons in postkantoren.
Maar het was niet echt handig op die manier: als de winkels, cafés, stations en postkantoren waren gesloten, kon je nog nergens terecht.
Daarom werden telefooncellen bedacht. Al in 1905 werd er over gepraat; maar de telefooncellen waren erg duur en pas in 1931 werd de eerste telefooncel hier in het land geplaatst.
Het gebruik van de telefooncellen nam na 1970 af. Dat kwam doordat steeds meer mensen zelf een telefoonaansluiting hadden genomen. Daarom werd het aantal telefooncellen drastisch verminderd, ze stonden alleen nog op plaatsen waar ze echt veel gebruikt werden.
Door het succes van de mobiele telefoon worden de telefooncellen nu nog minder gebruikt en zul je er steeds minder zien.

De eerste mobiele telefoon
In de jaren dertig van de vorige eeuw werd de radio steeds populairder. Sommige mensen begonnen zelf programma’s uit te zenden. Dit was (en is) verboden. Om de illegale zenders op te sporen maakte de radiocontroledienst van het Staatsbedrijf der PTT gebruik van auto’s, die uitgerust waren met heel gevoelige meetapparatuur.
Vaak werd met twee of drie auto’s samengewerkt om de zender te vinden. Goede communicatie tussen de auto’s was natuurlijk heel belangrijk. Dat contact hadden de speurders door op afgesproken tijden telefonisch contact met elkaar te zoeken, vaak vanuit een café of een particulier adres. Handig was dat niet, en daarom ging men de radiotelefonie (bellen via radiozender en –ontvanger) verder ontwikkelen.
In 1934 werd in het radiolaboratorium van de PTT geëxperimenteerd met de bouw van een ‘kleine’ verplaatsbare zendontvanger met een antenne van ‘slechts’ 1 meter lang.
Daarna werd aan een aantal Nederlandse bedrijven gevraagd om een praktische zendontvanger te ontwerpen. De eersten werden eind 1939, begin 1940 in gebruik genomen door politie, brandweer, geneeskundige diensten en elektriciteitsbedrijven.
Toen de oorlog op 10 mei 1940 begon, werden ze bijna allemaal in beslag genomen door de Duitsers.
De eerste mobiele telefoon kon je nog niet echt draagbaar noemen. Hij moest gemonteerd worden in de auto, bijvoorbeeld achter de stoel van de bijrijder. Om een gesprek te kunnen voeren met een andere mobilofoon of een abonnee van het vaste telefoonnet was de hulp van een telefoniste nodig.
In 1980 ging het eerste automatische autotelefoonnet van start. Toen was de telefoniste niet meer nodig. Het toestel was ook bruikbaar op de netten van Duitsland, Oostenrijk en Luxemburg.
Eerst werd gedacht dat er ongeveer 6000 abonnees gebruik zouden kunnen maken van het autotelefoonnet, maar al snel bleek dat dit niet klopte. Omdat de gesprekken veel langer duurden dan gedacht, konden maar 3500 mensen gebruik maken van het autotelefoonnet.
In 1985 werd een tweede autotelefoonnet in werking gesteld, met een veel grotere capaciteit. Dit net werkte ook in België en Luxemburg.
Ook bij dit netwerk zaten de toestellen nog steeds gemonteerd in de auto.
In 1989, bij de introductie van het derde autotelefoonnet, werden de toestellen een beetje handzamer en makkelijker in de bediening.
Pas in 1990 verschenen er toestellen die je in je tas of in je broekzak mee kon nemen (de zogenaamde handhelds) en pas in 1994 werd in Nederland een nieuw mobiel netwerk in gebruik genomen, GSM genaamd.
In het GSM-net wordt gebruik gemaakt van cryptografie (geheimschrift), daardoor kun je geen gesprekken afluisteren (of maar heel moeilijk)
Na de introductie van GSM (en de komst van de handige toestelletjes) worden de autonetten gesloten.
Tegenwoordig is in bijna ieder gezin wel minstens één mobieltje.