
![]()
Wil je terug naar boven? Klik dan op deze afbeelding!
Dit zijn de punten die we op deze pagina gaan uitleggen.
![]()
Een burcht is letterlijk een plaats om je te verbergen voor je vijand. Dit was meestal een terein waarop een gebouw stond en waaromheen een gracht en een wal lagen. Dit versterkte huis was een toevluchtsoord voor omwonenden en je kon je er in terug trekken bij een gevecht. Oorspronkelijk kon alleen de koning toestemming geven voor het bouwen van een versterkt huis.
Hoe zagen oude kastelen eruit?
Een oud kasteel heette een donjon. Een donjon stond meestal op een kruispunt van belangrijke handelswegen of langs een druk bevaren water. Men zocht een stukje grond uit en daaromheen werd een gracht gegraven. De grond uit de gracht werd gebruikt om langs de binnenzijde van de gracht een wal op te werpen. Daar kwam nog een palissade (rij puntige palen) langs te staan. Midden op dit stukje grond werd de donjon van hout gebouwd.

Het huis was gebouwd om de vijand buiten de deur te houden. Doordat er in het woonvertrek alleen smalle venstergaten zonder glas waren, was het erg donker in dit vertrek. Om kou buiten te sluiten moest men de luiken dichtdoen, dan kwam er helemaal geen licht meer binnen. In plaats van meubels werden er kisten gebruikt. De kisten gebruikten ze als bergplaats en als zitplaats.
Er waren verschillende soorten kastelen. Onder andere het waterkasteel en het veertiende-eeuwse kasteel. Deze kastelen waren helemaal van steen gebouwd, dit in tegenstelling tot de donjons.
De voet van de toren van het waterkasteel stond in de gracht. Dit had meerdere voordelen. De vijand kon nu niet over de gracht heen zonder dat het opgemerkt werd. Bovendien kon men hun uitwerpselen in de gracht lozen. Je kan je voorstellen dat zo'n gracht niet lekker was om in te zwemmen. Ook het terein buiten de kasteelgracht werd versterkt. Er kwamen een muur en een gracht omheen. Dit heette een buitenhof.

In de veertiende eeuw kwam de binnenplaats in de mode. Zo ontstond het veertiende eeuws kasteel. Dit kasteel bestond uit drie delen: de hoofdburcht, de binnenhof en de buitenhof. De hoofdburcht was een langwerpig of vierkant gebouw rond een binnenplaats met de voet in een gracht. De binnenhof was omgeven door een gracht en een muur, en was een zogenaamde voorburcht voorzien van talrijke verdedigingswerkjes. De buitenhof was eveneens omsloten door een muur en een gracht. Het omvatte de boerderij met alle mogelijke bijgebouwen.
Hoe kon een ridder zo'n kasteel betalen?
De ridder beschermde boeren tegen benden die rovend en moordend door het land trokken. Voor deze bescherming betaalden de boeren pacht. Ze gaven een deel van hun opbrengst van hun boerenbedrijf aan de kasteelheer. Ook hefte de kasteelheer tol. Ieder schip dat langs het kasteel voer moest een deel van zijn vracht afstaan om door te kunnen varen. Ook iedere rijke koopman die de weg gebruikte langs de ridderburcht moest betalen. Op deze manier kreeg de kasteelheer geld om zijn kasteel te bouwen en te onderhouden.