Vechtsport

Tijdens de Ming en de Qin dynastieën ontstonden de Chinese vechtsporten. Chinese vechtsport is ontstaan door geestelijke oefeningen van monniken samen te voegen met militaire training. Zo ontstonden vechtsporten voor het lichaam en de geest. De belangrijkste zijn Tai Chi (zonder tegenstander) en Kung Fu (extreme vechtsport).

Tai Chi

De oefeningen van Tai Chi zorgen er voor dat het lichaam ontspant waardoor de geest zich kan concentreren.

De bewegingen gaan langzaam en ontspannen. Wat belangrijk is tijdens de bewegingen is om de energie (dat wordt Chi genoemd) goed te laten stromen van de aarde door en langs je lichaam.

Daardoor komt het lichaam in evenwicht. Denk bijvoorbeeld aan Yin en Yang.

Heel veel Chinezen beoefenen deze sport. Het wordt vaak als ochtendgymnastiek gedaan in grote groepen op straat, zoals je hiernaast kunt zien.

 

Kung Fu

Kung Fu wordt ook wel Wu Shu genoemd; Chinees boksen. Het is meer dan 2000 jaar geleden ontwikkeld door de Chinezen in een om te overleven. Het is een vechtsport met een tegenstander.

Binnen het vechten kun je dierstijlen onderscheiden zoals tijger, panter, kraanvogel, slang en draak. Niet alleen de bewegingen maar ook karaktereigenschappen van vermelde dieren zijn belangrijk. Verder wordt ook geoefend met de oude Chinese handwapens.