Liedjes, versjes en gedichtjes op rijm

 

 

Vaardigheid: rijmen.

 

Doel: de leerlingen herkennen rijmwoorden in een liedje, versje of gedichtje en voorspellen een rijmwoord op basis van de context.

 

Materiaal: bekende versjes- of gedichtenbundel voor kinderen, liedjesboek voor kleuters, bord, krijt.

 

Voorbereiding: versjes, gedichtjes en liedjes verzamelen. Kies versjes, gedichtjes en liedjes die aansluiten bij het thema waar de groep mee bezig is.

 

Aandachtspunten:

 

Werkwijze

 

Inleiding

Vraag aan de kinderen wanneer twee woorden op elkaar rijmen? Bij rijm klinken de woorden aan het eind hetzelfde. Het begin van de woorden is verschillend. Wat rijmt er op muil? huil, buil, zuil, kuil et cetera. Schrijf de woorden op het bord onder elkaar, en zet een kader om de dezelfde uitgangen van de woorden:

m uil

h uil

z uil

k uil

Lees de woorden nog een keer hardop en leg de nadruk op de uitgangen van de woorden. Wijs de leerlingen erop dat het begin steeds verschillend is.

 

Kern

Lees versjes en gedichtjes met rijm voor (rijmschema: aabbcc). Noem daarna de eerste twee regels. En vraag aan de leerlingen welke twee woorden rijmen. Doe hetzelfde voor de andere regels. Lees nu een ander gedichtje en stop telkens voor het tweede rijmwoord en vraag de leerlingen het woord te raden. Hoe weten ze wat het rijmwoord moet zijn?

Spiegeltje, spiegeltje aan de wand

Wie is het mooiste van het (land).

(Sneeuwwitje)

 

Knibbel knabbel knuisje

Wie knabbelt er aan mijn (huisje).

(Hans en grietje)

 

Ach windje, doe me een plezier,

waai en blaas en storm en (gier),

zodat die domme jongeman,

moet lopen tot hij niet meer (kan)

Is hij dan doodmoe geraakt,

dan heb ik mijn haar weer (opgemaakt)

(De ganzenhoeder)

 

Ik bak en kook en ik ben blij

want morgen is 't prinsesje bij (mij).

Wat een geluk dat niemand weet,

dat ik repelsteeltje (heet)

(Repelsteeltje)

 

Kukeluku

Wat zie ik (nu)?

Luie meid, dat is je straf

Die rommel gaat er nooit meer (af)

(Vrouw holle)

 

Oh, koningin, zeer schoon bent u

Maar de jonge koningin is duizend maal schoner (nu)

(Sneeuwwitje)

 

Afsluiting

 

Leer de leerlingen een liedje. Laat de leerlingen het liedje zachtjes opzeggen en de rijmwoorden hard.

 

Het liedje Timpe tampe tovenaar:

Timpe tampe tovenaar,

Kom, vertoon je kunsten (maar),

Timpe tampe tovenaar,

Wij zijn (klaar)!

Hotsie kiele knotsie bom.

Bim bam barie (paardeblom)

Maak van jullie allemaal

Dim dom (daal)

 

Het liedje woutertje:

O, die Woutertje, Woutertje, wiebel wiebel wiebel woep,

piepklein kaboutertje komt als ik (roep).

 

Woutertje, Woutertje, piepklein kaboutertje,

wiebel wiebel wiebel woe-oep , komt als ik (roep)!

 

Ik heb hem jaren en nooit geeft-ie (last),

hij woont in een trommeltje onder de (kast),

En s morgens om zeven uur hoor je (geluid),

Dan roept-ie om eten, dan wil hij (eruit).