Roodkapje

 

r was eens een lief klein meisje. Iedereen die haar zag moest haar wel lief vinden. 

Maar haar Oma hield het meeste van haar. Ze deed alles voor haar. Oma had ooit een

mooie rode hoofdkap voor het meisje gemaakt. Het meisje vond het zo mooi dat zij hem

altijd ophad als zij naar buiten ging en daarom werd zij roodkapje genoemd. Op een dag

zei moeder tegen haar, " Roodkapje, je oma ligt ziek op bed en wil jij deze cake en deze

fles wijn naar haar toe brengen. Ga vroeg weg, en als je in het bos komt, wees lief en blijf

op het pad anders val je nog en breek je de fles en heb je niks meer voor oma. Als je

binnenkomt zeg je oma gedag en ga je niet in alle hoekjes van het huis snuffelen". "Ik zal

doen zoal u vraagt. Moeder" zei Roodkapje.

 

ma woonde in het donkere bos, op een half uurtje lopen van het dorpje waar

roodkapje woonde. Toen roodkapje in het bos was kwam ze de boze wolf tegen.

Roodkapje wist niet hoe slecht de boze wolf was en kende hem niet, dus was ook

niet bang voor hem."Goedemiddag, klein rood kapje" zei de wolf. "Goedemiddag,

wolf" zei Roodkapje. "Waar ga je zo vroeg al naartoe, Roodkapje?" vroeg de wolf.

"Naar Oma, die is ziek en ik ga haar wat cake en een fles wijn brengen, zodat ze

weer beter wordt " vertelde Roodkapje. "En waar woont jou grootmoeder dan wel

niet?" vroeg de wolf. "Ze woont ongeveer een kwartiertje lopen van hier. Haar huis

staat onder drie grote eikenbomen" zei Roodkapje.

 

e wolf dacht bij zichzelf dat het wel erg lekker zou zijn om zo een jong meisje

op te eten en nog lekkerder als hij haar oma ook erbij kon oppeuzelen. Hij liep een endje met

Roodkapje mee. Na een tijdje zei de boze wolf: "Wat een mooie bloemen hebben ze hier

toch staan, zie je dat Roodkapje? En al die vogeltjes die zo mooi zingen heb je die al gehoord?

Je loopt er overal aan voorbij zonder het op te merken. Alsof je naar school moet.

Roodkapje keek om zich heen en zag hoe mooi het eigenlijk was in het bos. Ze bedacht zich

dat het wel heel lief zou zijn als zij een bosje mooie veldbloemen voor haar

grootmoeder mee zou nemen. Het was toch nog vroeg en ze zou toch wel op tijd bij oma zijn.

Ze ging van het pad af en plukte een bloem, maar toen ze deze plukte zag ze

weer een andere mooie bloem. En zo ging ze maar door en door steeds dieper het bos in.

Ondertussen rende de boze wolf snel naar het huisje van oma toe.

Daar aangekomen klopte de wolf aan. KLOP KLOP KLOP. "Wie is daar?"

Klonk het uit het huisje. "Ik ben het, Roodkapje. Ik heb cake en een fles wijn

meegenomen voor u, doet u alstublieft open". "De deur is al open, ik ben te zwak om hem

open te doen, duw maar tegen de deur aan" zei oma.

 

 

Verder