

Toverspreuken
Vaardigheid: rijmen.
Doel: de leerlingen verzinnen zelf een rijmzinnetje bij een bepaalde zin.
Materiaal: toverstokje.
Voorbereiding: begin-onzinwoorden verzinnen.
Aandachtspunten: noteer na afloop welke leerlingen moeite hebben met het verzinnen van een rijmzinnetje.
Werkwijze:
Inleiding:
U zegt telkens de eerste zin op en de leerlingen maken er om de beurt een rijmzinnetje bij. Doe dat met toverspreuken. In elk rijmzinnetje komt een dier voor. Doe er zelf een paar voor:
Rie ra raap, je valt ineens in (slaap)
Rie ra zin, ik verander je in een (koningin)
Rie ra ruis, ik wordt opeens een (muis)
Oki doki hapje, ik verander je in (roodkapje)
Hocus pocus pilatus erg, ik verander je in een kleine (dwerg)
Hocus pocus pilatus rakker, de prins kust sneeuwwitje (wakker)
Di da dolf, in het bos zit de grote, boze (wolf)
Hocus pocus pilatus dal, assepoester gaat naar het (bal)
Zim zam zee, ik zie bij de wieg van doornroosje een (fee)
Pig pag piegel, de koningin ziet sneeuwwitje in haar (spiegel)
Nig nag negen, assepoester is aan het (vegen)
Hig hag hoeder, roodkapje is op weg naar haar (grootmoeder)
Kern:
Laat de kinderen zelf toverspreuken verzinnen. Ze mogen een eerste rijmzinnetje bedenken bij een tweede zin.
Bijvoorbeeld:
........iedereen danst op het bal.
........je verandert in een wolf.
...... doornroosje prik zich aan een 'spinne" wiel.
...... assepoester verliest haar muil.
.......sneeuwwitje vindt het dwergen huis.
.......je verandert in een jager.
Afsluiting:
Laat de kinderen een eigen toverspreuk verzinnen. Help de leerlingen met een begin; bijvoorbeeld: 'Sim salla bim..' , 'Abacadrabra' , 'Hokus pokus pilatus pas' . Vervolgens geeft u een leerling een toverstokje. Het kind zegt de toverspreuk hardop en geeft daarna het toverstokje aan de volgende leerling. Schrijf de toverspreuken in een toverboek.