
Waar hoor je de klank?
Vaardigheid: isoleren van klanken in een woord.
Doel: de leerlingen geven aan of ze een klank aan het eind, aan het begin of in het midden van een woord horen.
Materiaal: voorwerpen of plaatjes met dezelfde klank ofwel aan het begin, midden of eind van het woord.
Voorbereiding: verzamel voorwerpen of plaatjes met een bepaalde klank of aan het begin of aan het eind van het woord.
Aandachtspunten:
Ga in de kring zitten.
Verzamel alleen klankzuivere MK-, KM-, MKM- woorden
De leerlingen hoeven niet te kunnen lezen om letters met elkaar te kunnen vergelijken.
Noteer na afloop welke leerlingen moeite hebben met aangeven waar ze klank horen.
Werkwijze:
Inleiding
In het woord boom hoor je de /m/ an het eind van het woord boom. in het woord boom hoor je de /b/ aan het begin van het woord boom. in het woord boom hoor je de /oo/ in het midden van het woord boom. dus van makkelijk naar moeilijk
/boo/-/m/ /b/- /oom/ /b/-/oo/-/m/
Neem dan meerdere woorden die of beginnen of eindigen met de klank /m/. in het woord boom hoor je de /m/ aan het eind in het woord maan hoor je de /m/ aan het begin.
Eventueel kun je dit visualiseren op het bord. maan boom
Kern
Noem iedere keer een of twee woorden met een bepaalde klank en vraag waar ze de klank horen: aan het begin, eind of in het midden. gebruik hierbij drie lege hokjes op et bord voor de verschillende klanken in het woord., als visuele ondersteuning.
Waar hoor je de /r/ in het woord roos? en waar hoor je de /r/ in het woord voer?
Afsluiting
Gebruik voorwerpen of plaatjes van woorden met een bepaalde kank aan het begin van het woord en met dezelfde klank aan het eind van het woord Laat de leerlingen de voorwerpen of plaatjes sorteren in twee verschillende rijen: bijvoorbeeld met de /p/ aan het begin en met de /p/ aan het eind.