Zin of onzin

 

 

Vaardigheid: bewustzijn van zinnen en woorden

 

Doel:

 

Materiaal: een praatplaat waarop veel te zien is en die aansluit bij het thema sprookjes.

 

Voorbereiding: bedenk een lijstje met eenvoudige goede en foute zinnen van maximaal zes á zeven woorden bij de praatplaat.

 

Aandachtspunten:

 

Werkwijze:

 

Inleiding

Vertel de leerlingen wat een zin precies is. Een zin is een heel kort verhaal. Het gaat over iets of iemand en wat er gebeurt. Pak de praatplaat en noem een aantal eenvoudige zinnen van maximaal zes woorden die betrekking hebben op de praatplaat, bijvoorbeeld:

 

Noem een aantal foute zinnen:

Vertel de leerlingen waarom het geen goede zin is: dit is geen zin omdat er niets wordt verteld over wat er gebeurt. Wat gebeurt er met de prins? Wat gebeurt er met Repelsteeltje?

U vult de woorden aan tot een zin:

 

Noem daarna nog een aantal foute zinnen:

Vertel de leerlingen dat dit ook geen goede zinnen zijn omdat er niet bij staat over wat of wie het gaat.

Wie heeft een jurk aan? Wie tovert er een kikker tevoorschijn?

U vult zelf de woorden aan tot een zin:

 

Kern

Noem een aantal goede en foute zinnen. Laat de leerlingen reageren op de zin met de duimen omhoog (goede zin) of omlaag (foute zin). Vraag bij een foute zin of iemand er een goede zin van kan maken.

Geef zoveel mogelijk leerlingen een beurt.

 

Afsluiting

Kijk samen met de leerlingen naar de praatplaat. U noemt een trefwoord. De leerlingen maken een goede zin met het trefwoord. De zin moet bij de praatplaat passen.

Bijvoorbeeld het trefwoord ‘dwerg’: De dwerg is aan het werk.

Vraag een andere leerling of het een goede zin is. Laat een andere leerling nog een zin bedenken met dit trefwoord. Vraag wederom of het een goede zin is aan een leerling.