Kerk: in het algemeen benaming voor een min of meer georganiseerde vorm van collectieve godsdienstigheid en tevens benaming voor het gebouw waarin godsdienstoefeningen worden gehouden.
1. Godsdienstsociologische betekenis
Aanvankelijk werd in de godsdienstsociologie een duidelijk onderscheid gemaakt tussen kerk en sekte, waarbij de eerste werd gezien als meer universeel en meer aan de samenleving aangepast en de tweede als meer particularistisch, losser van de samenleving en bovendien meer berustend op zelf gekozen lidmaatschap. Ook wordt naast kerk wel over denominaties gesproken vormen van godsdienstigheid die als gelijkwaardige en onderling erkende vormen naast elkaar bestaan. Tegenwoordig spreekt men bij voorkeur in het algemeen van godsdienstige of religieuze groeperingen.
De godsdienstsociologie heeft zich vooral beziggehouden met de plaats van de kerk in en de betekenis voor de samenleving. Er is vrij algemene overeenstemming over het feit dat de kerk door de ontwikkeling van de samenleving daarin een minder centrale plaats is gaan innemen en er een geringere betekenis voor heeft gekregen. De kerk en de kerkelijke godsdienstigheid waren vroeger veel meer geïntegreerd in de samenleving, maar door het opgetreden differentiatieproces is de kerk min of meer los komen te staan van veel samenlevingssectoren. Men spreekt in dit verband ook wel van het functieverlies van de kerk.
Ook voor de individuele mens is de kerk vermoedelijk van geringere betekenis geworden. En dat niet alleen omdat in de loop van de tijd veel mensen buitenkerkelijk zijn geworden. De participatie aan het kerkelijk leven van de kerkleden zelf is in de afgelopen decennia ook geringer geworden. Dit hangt waarschijnlijk samen met het feit dat godsdienst en kerk minder dan vroeger samenvallen mensen vinden ook andere manieren om op de zaak van de kerk betrokken te zijn zonder actief aan het kerkelijk leven deel te nemen. In dit verband is men gaan spreken van gedistantieerde kerkelijkheid. In dit licht moet men ook zien het ontstaan van allerlei godsdienstige groeperingen aan de rand van de gevestigde kerken basisgemeenten, kritische gemeenten, charismatische beweging.
2. Theologische betekenis
Het woord kerk gaat, evenals het Duitse Kirche en het Engelse church, terug op het Griekse adjectief kuriakè, dat van de Heer betekent en dat oorspronkelijk gebruikt werd in de samenhang van huis des Heren of gemeenschap des Heren om de saamhorigheid van de christenen aan te duiden, die Christus als hun Heer beschouwden. De overeenkomstige benaming in de Romaanse talen, zoals het Latijnse ecclesia, het Franse église en het Italiaanse chiesa, zegt vanuit haar eveneens Griekse oorsprong echter nog meer; het duidt op de groep die niet door eigen initiatief, maar vanwege een oproep bijeengekomen is, in dit geval door het Evangelie.
De christenen gebruikten het woord in het begin voor hun eerste groep, die te Jeruzalem, later ook voor de christelijke groepen in andere steden. Zij gebruikten het woord in het meervoud en noemden elke plaatselijke christengemeenschap kerk. Soms echter spraken zij over de kerk in het enkelvoud, waarmee zij het geheel van alle christenen bedoelden; zo schreef Paulus al dat Christus zich voor de kerk gegeven had.
In het oudchristelijke Oosten is men elke plaatselijke groep kerk blijven noemen, maar in het Westen bewaarde men het woord kerk vooral voor de saamhorigheid van alle christenen samen, terwijl men de plaatselijke groepen als diocesen, bisdommen en parochies ging aanduiden.
De Nederlandse Hervormde Kerk maakt onderscheid tussen de plaatselijke gemeenten en de landelijke kerk, terwijl de gereformeerden bewust elke plaatselijke groep kerk noemen. Dit verschil in benaming hangt samen met de mate van zelfstandigheid die men aan de plaatselijke groep toekent.
In de Rooms-katholieke Kerk, waar men vooral sinds de Reformatie vrijwel alleen van de kerk in het enkelvoud sprak, lag de nadruk zozeer op de ene alles overkoepelende kerk dat er geen ruimte was voor plaatselijke verschillen of eigen plaatselijke verantwoordelijkheid. Sinds het Tweede Vaticaans Concilie echter is men bewust weer de bisdommen als kerken gaan aanduiden, evenals groepen van bisdommen die door taal of cultuur bij elkaar horen.
Tevens werd aan die plaatselijke kerken in beginsel het gebruik van hun landstaal toegestaan, alsmede andere eigen uitingen op het gebied van eredienst, theologie, spiritualiteit en ondergeschikte bestuurlijke zaken. Deze verandering van kerkelijk spraakgebruik en beleid werd ingegeven door een geloofsbeginsel dat ook in de Reformatie gevolgd werd , nl. dat in elke plaatselijke samenkomst Christus woord en sacrament als de twee eigen levensbeginselen van de kerk functioneren en daar ook primair gestalte geven aan de typisch christelijke gemeenschap. Dit betekent niet dat de werkelijkheid van de ene universele kerk ontkend wordt, maar men realiseert zich dat die ene universele kerk zich juist in die lokale gemeenschappen voltrekt. Anderzijds stellen die lokale groepen niet echt de kerk van Christus voor als zij niet juist die universele kerk weerspiegelen en beleven door één en hetzelfde Evangelie, dezelfde doop- en eucharistiebediening. Deze eenheid in belijden en sacramentsbediening zal elke plaatselijke kerk echter in een taal en op een wijze realiseren die aansluit bij haar cultureel milieu. Deze bijbelse en idealistische voorstelling van zaken wordt echter maar moeilijk verwerkelijkt ondanks de resultaten van de oecumenische beweging. Een van de factoren die de verwerkelijking van deze visie bemoeilijken, is het feit dat het begrip kerk niet alleen theologische, maar ook sociologische en historische aspecten heeft.
De kerk alleen maar als een puur spirituele aangelegenheid beschouwen strijdt met hetgeen de apostelen als grondleggers in de naam van Jezus Christus aan de mensen als gave en als opdracht schonken. Het tegendeel echter, de kerk geheel of vooral als een juridisch te leiden organisatie beschouwen, druist eveneens tegen het nieuwtestamentisch getuigenis in volgens welke juist ook de Geest van Christus in de stichting van de kerk werkzaam was. Ofschoon alle kerken en kerkelijke gemeenschappen van beide aspecten weten, neigen de kerken van het katholieke type meer naar een kerkidee van door de Geest bezielde tastbaarheid (sacramentaliteit), terwijl de kerken van het reformatorische type vooral denken aan door de Geest bezielde prediking.
Rooms-katholieke Kerk
De christelijk geloofsgemeenschap van over heel de wereld verspreide, door bisschoppen bestuurde plaatselijke kerken die in de verbondenheid met de bisschop van Rome (de paus) het zichtbaar teken van hun onderlinge saamhorigheid erkennen. Zij wordt aangeduid als 'rooms' wegens de centrale plaats die de bisschop van Rome als opvolger van Petrus de Apostel in het bisschoppencollege inneemt.
Dat zij zichzelf katholiek noemt, wil zeggen dat zij in principe openstaat voor de mensen van alle tijden en van de gehele wereld.
Binnen het christendom is de Rooms-katholieke Kerk te onderscheiden van a. de diverse oosterse kerken; b. de kerken voortgekomen uit de Reformatie, en c. de groeperingen die zich na de kerkscheuring van de 16de eeuw nog hebben afgescheiden, zoals de Oud-katholieke Kerken, de Tsjechische Nationale kerk, enz.
De Rooms-katholieke Kerk belijdt dat Jezus Christus in haar voortleeft door zijn geest, die zich uit in de prediking en de viering van de sacramenten (m.n. van de eucharistie) en in de diaconale taken van de kerk, welke zich concentreren om de zorg voor de armen in de ruimste zin van het woord.
1. Structuur en statistieken
Men onderscheidt in de Rooms-katholieke Kerk de Latijnse of westerse Kerk en de verschillende geünieerde oosterse Kerken. Deze laatste zijn verdeeld in patriarchaten, kerkprovincies en bisdommen. De westerse Kerk bestaat uit bisdommen, meestal gegroepeerd tot kerkprovincies, met aan het hoofd een metropoliet (aartsbisschop). Elk bisdom is weer ingedeeld in decanaten en parochies. In missiegebieden waar de kerkelijke hiërarchie nog niet gevestigd is, zijn apostolische vicariaten, waarin een apostolische vicaris de bisschoppelijke rechtsmacht in naam van de Heilige Stoel uitoefent.
De Rooms-katholieke Kerk is de grootste religieuze gemeenschap ter wereld.
Ruim de helft van de gelovigen leeft in landen van de Derde Wereld. Europa telt 287459000 katholieken, Amerika (Verenigde Staten en Canada) en Latijns-Amerika 481200000, Azië 96741000, Afrika 102878000 en Australië en Oceanië 7660000. Gemiddeld is één priester beschikbaar voor 2413 katholieken. Er waren in 1995 in de Rooms-katholieke Kerk ruim één miljoen leden van diverse religieuze instituten, nl. ca. 59872 mannen en ruim 848455 vrouwen.
De territoriale indeling van de Rooms-katholieke Kerk omvatte in 1995 12 patriarchale zetels, 1908 (aarts)bisdommen, 56 prelaturen, 15 abdijen 'nullius', 19 exarchaten (oosterse ritus), 73 apostolische vicariaten, 14 apostolische prefectures, en 8 missiegebieden 'sui juris'.
Het college van de kardinalen telde in 1997 147 leden. Over de hele wereld waren de bisschoppen georganiseerd in 104 nationale en 9 internationale bisschoppenconferenties; de oosterse tak van de Rooms-katholieke Kerk in 19 patriarchale synodes.
kerkgeschiedenis, de traditionele benaming voor het deel van de geschiedenis dat zich speciaal richt op het christendom en de daarbinnen ontstane geloofsgroepen. Het woord kan slaan op een bepaalde kerk, maar ook op algemene, landelijke of plaatselijke kerkhistorie. Tevens duidt het een samenvattend boek daarover aan. De bredere naam geschiedenis van het christendom omvat ook de ketterhistorie en plaatst het vak bewust tussen de historie van andere grote religies.
De kerkgeschiedenis heeft eigen bronnen in teksten (handelingen van concilies, synoden en kerkenraden, voorts theologische werken, vooral preken), gebouwen (kerken, kapellen, kloosters en hun inventaris) en gebruiken. Onderdelen werden tot zelfstandige vakken: dogmengeschiedenis, liturgiegeschiedenis, de historie van de verspreiding (missiologie). De indeling in tijdvakken is meestal die van de West-Europese historie oudheid (tot ca. 600), middeleeuwen (tot ca. 1500), nieuwe (tot 1789) en nieuwste tijd. Voor de oosterse kerk en de buiten-Europese situatie blijkt deze weinig bruikbaar.
Hoewel de kerkgeschiedenis een onderdeel vormt van de algemene geschiedenis, wordt zij als wetenschap doorgaans beoefend binnen theologische opleidingen. De keus uit het materiaal hangt af van de overtuiging van de historicus. Veel rooms-katholieke en orthodox-protestantse auteurs wijzen daarbij op het bovennatuurlijk karakter van de kerk, en dus op een goddelijke bedoeling met personen en gebeurtenissen.
1. Kerkgeschiedschrijving
De kerkgeschiedschrijving heeft als beginpunt de gegevens van het Nieuwe Testament. De werken van Lucas, vooral zijn Handelingen der Apostelen, vormen een eerste poging, zoals blijkt uit de predikende en apologetische bedoeling en uit de selectie uit feiten, personen en naamlijsten. Datzelfde kenmerk vertoont ook de kerkgeschiedenis van Eusebius van Caesarea, die de gebeurtenissen tot 324 beschreef. Zijn boek bevat ook materiaal uit ouder, nu verdwenen werk. Voor Eusebius stond vast dat de kerk eeuwig is en haar leer onveranderlijk. De opeenvolging van de bisschoppen waarborgde volgens hem de juistheid. Dit bleef de algemene overtuiging tot ca. 1500. Wereldlijke en kerkelijke geschiedenis vielen nagenoeg samen. De westerse theologen gebruikten de samenvatting van Cassiodorus. Als volkslectuur werden de heiligenlevens geliefd (zie hagiografie). Kloosters gingen een eigen kroniek bijhouden. Voorbeelden van landelijke kerkgeschiedschrijving gaven Gregorius van Tours voor Frankrijk, Beda voor Engeland, Adam van Bremen voor Scandinavië.
1.1 Renaissance
Pas de renaissance waagde kritiek op de overlevering (Laurentius Valla). De reformatorische geschiedschrijving begon met de Maagdenburger Centuriën, die sinds de apostolische tijd enkel voortgaande afval signaleerden en slechts zelden een getuige van de (reformatorische) waarheid konden aanwijzen. De kerkgeschiedenis moest nu polemisch materiaal leveren. Kardinaal Baronius benutte de Vaticaanse archieven voor zijn Annalen, waarin hij Eusebius visie handhaafde. De polemiek leidde tot bronnenstudie. Aan de kant van Rome begonnen de Bollandisten een onderzoek naar de heiligenlevens, en de Maurini naar de betrouwbaarheid van oorkonden en handschriften. Het protestants piëtisme (Gottfried Arnold) stelde dat de ware kerk altijd een minderheid had gevormd en enkel kenbaar was in het innerlijk leven van haar gelovigen.
1.2 De Verlichting
De Verlichting wilde de cultuurgeschiedenis losmaken uit de kerkelijke, maar beïnvloedde ook de kerkhistorie. Er kwam aandacht voor menselijke invloeden op de leerbeslissingen de dogmengeschiedenis werd een apart vak. Diezelfde nauwe band tussen menselijke oorzaken en kerkelijke gevolgen moest de kerkhistorie toepasselijk en nuttig maken voor de eigen tijd. Met enige vertraging volgde de protestantse geschiedschrijving de culturele ontwikkelingen de romantiek bracht bloei van de biografie, de Hegeliaanse filosofie wilde stuwende ideeën in de kerkhistorie aanwijzen, wat later kwam een empirische voorliefde voor het exact vastgestelde feit, alles zonder enige twijfel aan eigen onvooringenomenheid.
1.3 De 20ste eeuw
De 20ste eeuw bracht de kerkgeschiedenis veel meer in samenhang met sociale en economische geschiedenis (Max Weber). De godsdienstsociologie ging de groepsvorming binnen het christendom bestuderen (Ernst Troeltsch). Andere vragen kwamen vanuit de godsdienstpsychologie. De uitbreiding buiten de westerse wereld leverde gegevens over de invloed van het geloof op samenlevingsvormen en van de maatschappij op geloofsgedrag en geloofsinzichten. K.S. Latourette kon de algemene kerkgeschiedenis beschrijven als een voortdurende, zij het soms gestremde, zendingsgeschiedenis. De oecumenische beweging en de talrijke communicatiemiddelen eisten een herbezien van het al bekende materiaal en diepere bronnenstudie, zoals over de verhouding tussen jodendom en kerk. Nieuwe samenvattingen moesten verstaanbaar zijn voor niet-geestverwanten. In toenemende mate vroeg de kerkgeschiedenis een plaats binnen de cultuurgeschiedenis, die tijdens de Verlichting juist uit afkeer van haar was ontstaan.
Doop of doopsel
Een in de meeste christelijke kerken gebruikelijke plechtigheid bij de opneming van nieuwe leden, bestaande uit een afwassing met water (oorspronkelijk door onderdompeling, later gewoonlijk door begieting of besprenkeling) en het uitspreken van een doopformule. De doop geldt in vrijwel alle christelijke kerken als een sacrament en vindt zijn oorsprong in het Nieuwe Testament waar Johannes de Doper een doop tot vergeving van de zonden voltrok. Ook Jezus heeft zich door Johannes laten dopen.
Een aantal christelijke kerken dient de doop uitsluitend aan volwassenen toe. In het merendeel van de christelijke kerken is de kinderdoop regel. In de Rooms-katholieke kerk wordt de doop zo spoedig mogelijk na de geboorte toegediend. In geval van levensbedreiging kan een leek de doop toedienen, de zgn. nooddoop. De plechtigheid kan ook thuis plaatsvinden. De reformatorische kerken kennen noch de nooddoop noch de doopplechtigheid aan huis.

Kinderdoop
Rond 400 legde kerkvader Augustinus de basis voor de kinderdoop binnen het christendom. Volgens hem worden mensen geboren met een neiging tot zondigen en delen ze, als afstammelingen van Adam en Eva, in de schuld van de erfzonde. Augustinus benadrukte het belang van de kinderdoop, een ceremonie waarbij het kinderhoofd wordt besprenkeld met water om de ziel te reinigen en het kind voor te bereiden op een leven in Christus. Op deze houtsnede is een priester te zien die een kind doopt.
Altaar [liturgie]
Een gewoonlijk tafelvormige verhevenheid, bestemd voor het brengen van offers. Altaren in een of andere vorm vindt men bij vrijwel alle volken, vanaf de oudste tijden. In de jonge christelijke kerk ontstond de gewoonte in iedere kerk onder het altaar relieken te plaatsen; weer later werden deze in het altaarblad gevat door middel van een ingemetselde altaarsteen. In het Westen heeft de vorm van het altaar de invloed van alle elkaar opvolgende stijlen ondergaan


Verbranding van ketters
Nadat in de tegen Spanje opstandige Nederlanden de Spaanse hertog van Alva met zijn leger verschenen was, werden harde maatregelen genomen. Een ervan was de vervolging van de zgn. Ketters, afvalligen van het ware (rooms-katholieke) geloof. Sommigen van hen werden levend verbrand, zoals is weergegeven op deze cintemporaine gravure.
Reformatie (opnieuw vormen, hervormen) of Hervorming van de kerk, benaming voor de grote beweging in het christendom in de 16de eeuw waarvan het protestantisme en de protestantse kerken de vrucht zijn. Door het optreden van John Wyclif in Engeland en van Johannes Hus in Praag, en ook wel in enkele mystieke en spiritualistische stromingen werd het gezag van de Rooms Katholieke kerk ondermijnd. Bevorderd is de Reformatie door grote staatkundige veranderingen in geheel Europa, de opkomst van de steden en haar burgerij, de boekdrukkunst, renaissance en humanisme, de behoefte aan terugkeer tot de directe bronnen van de kennis van de openbaring, de boeteprediking in de kerk zelf, het bijbellezen en de maatschappelijke onrust in bijna ieder opzicht.
Contrareformatie, een reactie op de protestantse hervorming. Een van de grote momenten van de vernieuwing was het Concilie van Trente (15451563). Pausen als Pius V, Gregorius XIII en Sixtus V, vorsten als Filips II en heiligen als Carolus Borromeus, Theresia van Ávila, Johannes van het Kruis en Ignatius van Loyola (optreden van de jezuïeten) typeerden de nieuwe geest van de kerk. In de kunst vindt men de weerslag van de Contrareformatie in de barok.
Beeldenstorm, de vernieling van beelden en andere religieuze objecten tijdens de opkomst van het protestantisme. De Beeldenstorm in de Nederlanden begon op 10 aug. 1566 te Steenvoorde, in het Westerkwartier, ten zuiden van de huidige Belgisch-Franse grens. Na een hagenpredikatie van Sebastiaan Matte trokken zijn toehoorders, onder leiding van Jacob de Buysere, naar het klooster van Sint-Laurentius om er de beelden stuk te slaan. Op 13 aug. predikte Jacob de Buysere te Belle. Na zijn predikatie ging hij met zijn volgelingen naar het klooster van Sint-Antonius, waar zij de kerk grondig van alle versiering beroofden. Op 15 aug. brak de beweging volop los in het Westerkwartier. Door rondtrekkende benden, vaak geholpen door ingezetene. Te Ieper wachtte men op het vertrek van Egmont om de volgende dag, 16 aug., tot de Beeldenstorm over te gaan. Op 18 aug. woedde de storm nog te Diksmuide. Een dag later spoorde Herman Moded te Antwerpen zijn toehoorders aan om de beelden neer te halen. Zij wachtten tot na het vertrek van de prins van Oranje om op 20 aug. over te gaan tot de aanval op de kerken.
De organisatoren en uitvoerders van de Beeldenstorm waren overtuigde calvinisten, die rechtzinnig meenden dat de beelden, die volgens hen een gruwel in Gods ogen waren, moesten worden vernield; er waren ook helpers die betaald werden en vele door allerlei motieven gedreven meelopers. De daders kwamen uit alle lagen van de bevolking.
Om een einde te maken aan de Beeldenstorm, die dreigde te ontaarden in een sociale revolutie en algemene plundering van de rijken, stemde Margaretha van Parma erin toe de hagepreken te laten houden op die plaatsen waar zij tot nog toe geschiedden. Sommigen interpreteerden die toestemming als een tolerantie van de hervormde godsdienstoefeningen. Toen bleek dat dit geenszins het geval was, werd op een synode te Gent besloten aan koning Filips II een verzoekschrift aan te bieden, om tegen betaling van drie miljoen goudgulden godsdienstvrijheid te verkrijgen; in feite was het geld bestemd voor troepenwerving. Het gewapend verzet werd in maart 1567 neergeslagen.
Luther, Maarten (1483 1546), de eerste kerkhervormer van de 16de eeuw, stamde uit een boerengezin. Zijn vader was in de mijnbouw (koper) tot een zodanige welstand gekomen, dat hij zijn zoon rechten kon laten studeren. Luther begon deze studie in 1501 in Erfurt. In 1505 meldde hij zich aan bij het augustijnenklooster. Van dit moment af studeerde hij theologie en in 1507 werd hij tot priester gewijd. In 1508 volgde zijn overplaatsing naar het klooster in Wittenberg, waar hij aan de door de keurvorst Frederik de Wijze gestichte nieuwe universiteit docent werd. In 1512 promoveerde hij en ontving hij van zijn prior Joh. von Staupitz de opdracht om colleges te geven in de bijbelse theologie. Deze opdracht is beslissend geworden voor zijn ontwikkeling tot reformator
Zijn theologische werkzaamheid bereikte intussen een hoogtepunt in het dispuut met Erasmus over de vrijheid van de wil. Luther hield tegenover Erasmus, die uitging van de menselijke vrijheid, vast aan de vrijheid van Gods genade God werkt ons heil, wij voegen daar niets aan toe, daardoor is ons heil geen dubieuze zaak, maar een kwestie van vertrouwen, van geloof in Christus. Zijn overwinning op zonde en dood betekent dat de weg vrij is voor een herboren mens-zijn, een uit genade geschonken gerechtigheid waardoor de mens ondanks zijn schuld toch in Gods ogen rechtvaardig wordt geacht.
Temidden van alle politieke verwikkelingen en ondanks wereldwijde contacten bleef Luther de universiteit trouw. Daarnaast was hij de praktische theoloog, die in de stadskerk predikte en liturgie en kerkzang vernieuwde.
De laatste jaren voor zijn dood werden bemoeilijkt door ziekte en teleurstellingen. Uit die tijd stammen naast werken die getuigen van grote innerlijke diepgang, ongebroken geestkracht en humor ook vele verbitterde uitlatingen, zo over de joden, van wie hij verwacht had dat zij het evangelie, nu het gezuiverd te horen was, zouden aanvaarden. Hij was zich en dat is geheel in overeenstemming met het hart van zijn theologie zijn tekortkomingen maar al te goed bewust; zijn laatstopgeschreven woorden zijn wij zijn bedelaars, dat is waar.
Calvijn, Johannes(1509 1564), kerkhervormer en grondlegger van de reformatorische stroming het calvinisme.
Hij studeerde van 1523 tot 1528 te Parijs voor rooms-katholiek priester, maar ging daarna, op verlangen van zijn vader, die te Noyon met de geestelijkheid in conflict was geraakt, rechten studeren te Orléans en Bourges. Vervolgens studeerde hij, na de dood van zijn vader (26 mei 1531), letteren aan het Collège Royal te Parijs; hij voelde zich tot het humanisme aangetrokken. In theologisch opzicht was hij autodidact.
Het tijdstip van zijn overgang tot de Reformatie staat niet vast. Zijn hervormde gezindheid kwam aan het licht door een rede van Nic. Cop, rector van de Parijse universiteit, op 1 nov. 1533; Calvijn was bij de opstelling ervan betrokken geweest en beiden moesten vluchten om aan arrestatie te ontkomen
Op een doorreis moest Calvijn in juli 1536 te Genève verblijven. De hervorming was daar wel ingevoerd, maar had er nog weinig wortel geschoten. De predikant Farel bezwoer Calvijn er te blijven en deze zag daarin een goddelijke roeping. Hij werd er lector, enige tijd later ook predikant en weldra was hij de stuwende kracht in de hervorming van het kerkelijke en openbare leven in de stad. Maar tegen de strenge voorschriften en tuchtmaatregelen van kerk en stadsraad, waaraan het godsdienstige en zedelijke leven van de burgers onderworpen werd, rees verzet. Nieuwgekozen burgemeesters legden de predikanten matiging op en bevalen hun, op aandrang van de stad Bern, zich inzake de ceremoniën te richten naar de aldaar heersende gebruiken. Calvijn en Farel achtten dit een ongeoorloofd ingrijpen van de overheid in kerkelijke zaken; er kwam een gespannen verhouding en in april 1538 werden de predikanten uit de stad verbannen.
Calvijn werd nu, op uitnodiging van Martinus Bucer, predikant van de Franse vluchtelingengemeente te Straatsburg en doceerde daar tevens aan de gymnasiale academie
Intussen waren de verhoudingen te Genève gewijzigd en de Raad nodigde Calvijn uit terug te keren. Op 13 sept. 1541 begon zijn tweede Geneefse periode. Met voortvarendheid hervatte Calvijn de arbeid. Hij vervaardigde nieuwe Ordonnances ecclésiastiques, die door de Raad aanvaard werden. Het kerkelijk stelsel was presbyteriaal, met vier ambten predikanten, doctoren, ouderlingen en diakenen.
de Reformatie heeft pas langs de omweg van humanisme en Verlichting leren inzien dat het geloof alleen met geestelijke middelen en in vrijheid verdedigd kan worden.
Calvijns werkzaamheid heeft zich ook naar het buitenland uitgestrekt. In talloze geschriften en brieven heeft hij roomsen, wederdopers en spiritualisten bestreden, maar ook positieve adviezen gegeven ter bevordering van de Hervorming in Frankrijk, Engeland, Schotland, de Nederlanden, in een deel van Duitsland, in Polen en Hongarije.
Van onberekenbare betekenis voor de verbreiding van het gereformeerd protestantisme is de Geneefse academie geweest (in 1559 gesticht) door de toevloed van studenten uit vele landen, die daar de lessen van Calvijn en Theodorus Beza kwamen volgen. In 1564, op 54-jarige leeftijd, is Calvijn ten gevolge van zijn zwakke gezondheid en overmatig harde arbeid gestorven.
Meer dan andere reformatoren heeft Calvijn aandacht geschonken aan economische en sociale toestanden. Hij verdedigde voorzichtig de rechtmatigheid van de rente en bestreed allerlei wantoestanden met een beroep op de gerechtigheid en de billijkheid.
Calvijns arbeid als prediker, zielzorger, organisator en theologisch schrijver is enorm geweest. Zijn oeuvre omvat 59 grote delen; bovendien zijn er vele honderden preken, die nog maar ten dele zijn uitgegeven. Van Genève uit heeft het calvinisme zich, zij het in gewijzigde vormen, over grote delen van de wereld verbreid en in verschillende landen op het kerkelijke en maatschappelijke leven zijn stempel gezet.