Informatie over de doopvont

 

In de doopvont zit water, waarmee de dopelingen- meestal kinderen maar soms ook grote mensen - gedoopt worden. Vroeger werden mensen heel anders, dan gingen de dopelingen in een grote "vijver" kopje onder en liepen daarna naar de overkant.
Later werd dat doopbassin (Waterbad) steeds kleiner en werd het water over het hoofd van de dopeling gegoten.
Om het voor de priester gemakkelijk te maken werd dat kleine doopbassin op een voetstuk gezet.
Het woord 'vont' komt van het Latijnse woordje 'fons' dat 'bron' betekent. In de bijbel heeft Jezus het over Levend Water, water dat stroomt of omhoog komt uit een bron. Stromend water of water uit een bron is meestal schoon, helder en zuiver.

Water is het meest centrale element in de doop. In de betekenis van de doopwassing met water spelen drie eigenschappen van water een rol

De olie of zalving in de doop (chrisma) staat symbool voor deze Geest van kracht. Olie en zalf hebben de eigenschap dat ze doordringen in de huid, en zo kunnen ze symbool staan voor de gave van de Geest die in ons woont. Daarnaast hebben olie en zalf de eigenschappen dat ze de huid soepel maken, minder vatbaar voor verwondingen. Je krijgt toch nu ook wel eens een zalfje als je een wondje hebt. Deze eigenschappen maken olie en zalf geschikt om de werkzaamheid van de Geest te symboliseren: de Geest is God die in ons woont en ons sterk maakt van binnenuit.